DE BOUWGESCHIEDENIS VAN HET CIRCUS MAXIMUS – deel 2

01 03p1080312 (2025 11 21 13 43 38 utc)

20 juli 2023 —

In 36 n.Chr., kort na de restauraties van Augustus, laaide in het Circus Maximus een brand op die was ontstaan in enkele winkels van mandenverkopers. Een deel van het gebouw langs de zijde van de Aventijn werd vernield. In hetzelfde jaar werd de stad eveneens getroffen door een overstroming van de Tiber, vooral in de zone van het Circus Maximus. De sector van het circus werd gerestaureerd door Tiberius die daarvoor een bedrag van 100 miljoen sestertiën diende uit te trekken.

Caligula, die ervan hield de paardenwedrennen te bekijken van op het terras van het paleis (domus) op de Palatijn, had in het circus een podium laten plaatsen voor het opvoeren van toneelspelen, versierd met 124.000 pond marmer. Claudius herbouwde de carceres in marmer en bekleedde de metae met verguld brons. Voor de eerste maal werden er op de cavea plaatsen voorbehouden voor de senatoren. Hetzelfde privilege werd door Nero uitgebreid naar de equites, de ridders. Om de ruimte te creëren die nodig was om de zitplaatsen toe te voegen werd de euripus die rondom de arena liep gedempt, zodat de cavea naar voren kon worden uitgebreid. Doch de herinnering aan de euripus bleef bewaard: met die naam werden vanaf dan de waterbekkens rondom de spina aangeduid, die herinnerden aan het oude kanaal dat rond de arena liep.

Zoals ook Caligula had gedaan, liet Nero de arena bestrooien met chrysocolla, een soort kopersilicaat, die het zand deed glinsteren als goud. Nero woonde de wedrennen bij van op het pulvinar. Tijdens de samenzwering van Piso was het precies hier dat men hem wilde vermoorden, door gebruik te maken van het tumult tijdens de wedrennen. De consul designatus, Plautius Lateranus, zou zich aan zijn voeten werpen terwijl hij een smeekbede veinsde en zou Nero een steekwonde toebrengen, waarna de andere samenzweerders het werk zouden afmaken. De aanslag mislukte echter en de samenzweerders werden terechtgesteld.

De brand onder Nero die in 64 n.Chr. de stad gedurende zes dagen en zeven nachten teisterde, was in het Circus Maximus ontstaan en wel in de winkeltjes vol brandbare goederen aan de gebogen oostzijde. Aangewakkerd door een felle wind verspreidde het vuur zich van hier snel over de rest van het gebouw en over een groot deel van de stad. Hoewel het circus ernstig werd beschadigd liet men onmiddellijk een aantal consolidatiewerkzaamheden uitvoeren, zodat Nero reeds in 66 het gebouw opnieuw kon gebruiken en er ook in het jaar 68 zijn triomftocht kon vieren na zijn talrijke overwinningen in de spelen in Griekenland. Om zijn triomfstoet te laten binnentrekken in het circus werd de antieke boog aan de ronde zijde afgebroken. Nero reed binnen op een wagen die nog van Augustus was geweest, gekleed in purper en met een mantel, bezaaid met gouden sterren; op het hoofd droeg hij de Olympische olijfkroon en in de hand de laurier van Delphi. Hij hield halt voor de obelisk van Augustus en legde er kransen neer; daarna verliet hij het circus, doorkruiste het Velabrum, het Forum Romanum en het Capitool om de stoet te beëindigen op de Palatijn bij de tempel van Apollo en bij het keizerlijke paleis.

Ondanks de talrijke branden waardoor het Circus Maximus was beschadigd behoorde het nog ten tijde van Vespasianus tot de mooiste gebouwen van Rome. In 80 werd een nieuwe boog opgericht aan de ronde oostelijke zijde, op de plaats van de boog die door Nero was gesloopt. Het nieuwe monument werd door de senaat en het Romeinse volk toegewijd aan keizer Titus, om zijn overwinning op Judea en de verwoesting van de tempel van Jeruzalem in het jaar 70 te eren. Zoals te zien op de Forma Urbis Romae (begin 3de eeuw) en op andere iconografische bronnen was de boog drieledig en bekroond met een vierspan. Van deze structuur zijn nog enkele fragmenten bewaard gebleven.

Tijdens de regering van Domitianus werd het circus opnieuw door brand getroffen; als gevolg daarvan besloot men het hele gebouw herop te bouwen omdat het klaarblijkelijk te zwaar was beschadigd om het nog partieel te restaureren. Het zijn deze grootschalige verbouwingswerken, die waren gestart door Domitianus en voltooid onder Trajanus, die aan het circus zijn definitieve uitzicht hebben gegeven en waartoe de meeste nog resterende structuren behoren. De talrijke vondsten van bolli laterizi (stempels in de bakstenen) wijzen erop dat het grootste deel van de werkzaamheden onder Domitianus werd uitgevoerd.

Trajanus voltooide de reconstructie in 103 en eiste die verdienste volledig voor zichzelf op – Domitianus was immers door de damnatio memoriae van het toneel verdwenen. De nog zichtbare delen van het gebouw concentreren zich langs de gebogen oostelijke zijde van het circus en laten toe het grondplan ervan te reconstrueren. Andere resten zijn gekend dankzij de fragmenten van de Forma Urbis Romae, nog andere werden gedocumenteerd door de 19de-eeuwse archeoloog Rodolfo Lanciani op zijn eigen Forma Urbis.

Het nieuwe gebouw, zoals het door Domitianus geconcipieerd werd, besloeg een lengte van ongeveer 600 en een breedte van 150 m. De gevel van het gebouw aan de straatzijde was verdeeld in drie ordes, zoals is te zien op munten van Trajanus en Caracalla. De sector die uitgaf op de straat en die vermoedelijk werd ingenomen door winkeltjes, werd vervangen door een ambulacrum (rondgang). Vanuit het ambulacrum betrad men de bogen, gescheiden door straalsgewijs lopende muren; op die manier kwam men in een tussengang en ten slotte bij de tribunes rondom de arena. Een trap verleende toegang tot de hogere verdiepingen. Doorheen verschillende doorgangen konden de toeschouwers de diverse sectoren van zitplaatsen bereiken waarin de cavea was onderverdeeld. De senatoren en de ridders, de Vestaalse Maagden en de leden van de verschillende priestercolleges zaten op de eerste rij, dichtbij het podium. De andere toeschouwers bestegen de trappen om het hoger gelegen ambulacrum te bereiken. Vanaf hier kon men ofwel naar de tweede sector van de zitplaatsen gaan, ofwel via een houten trap naar de houten zitplaatsen op het hoogste deel van de cavea.

Het nieuwe bouwwerk bleek maar weinig stabiel te zijn. Kort na de oplevering moesten reeds steunberen en stutmuren worden gebouwd tegen de buitenste pilasters en tegen de radiale muren; later kwamen er hier en daar nog te staan. De antieke bronnen hebben het over onophoudelijke instortingen tijdens de wedrennen, waarbij duizenden personen het leven verloren. Tijdens de regering van Antoninus Pius stortte het bovenste deel van de hoogst gelegen, houten tribunes in waarbij meer dan 1.000 toeschouwers omkwamen.

Van de carceres is weinig archeologisch gedocumenteerd. Vanaf hier gaven de magistraten het startsein om te vertrekken, waarbij ze een doek lieten vallen (mappa). Verder weten we dat die starthokken in de keizertijd werden overdekt met een terras. Boven de centrale poort bevond zich een soort tempeltje met vier zuilen.

Tijdens de regering van Caracalla werd het Circus Maximus aan belangrijke restauratiewerken onderworpen, waarvan de voltooiing in 213 n.Chr. werd opgeluisterd met de uitgifte van sestertiën en gouden munten met voorstellingen van het vernieuwde gebouw. De werken hadden vooral betrekking op de sector van de carceres, die werd uitgebreid.

De opvoeringen van vaak somptueuze ludi bleven doorgaan. Keizer Elagabalus (Heliogabal, 218-222) liet een naumachia (zeeslag) opvoeren in de bekkens van de spina; waarschijnlijk werden kleine bootjes gebruikt in de grootste bekkens, die een lengte van 50 en een breedte van 10 m konden hebben. Probus (276-282) liet in de arena een bos planten en liet er venationes in opvoeren die leken op een echte dierenjacht in het wild.

Onder Diocletianus stortte een deel van de bovenste zitplaatsen in, waarbij meer dan 13.000 toeschouwers het leven lieten. De restauratie van het gebouw gebeurde onder Constantijn. Volgens de historicus Ammianus Marcellinus was Constantijn ook van plan een tweede obelisk naar Rome te brengen (na die van Augustus), vermoedelijk ook bestemd voor de spina van het Circus Maximus. Maar toen in de Egyptische hoofdstad Alexandrië alles voor het transport van de obelisk klaar was, stierf de keizer en bleef de monoliet nog 25 jaar in de haven van liggen alvorens zijn reis te ondernemen. Pas in 357 liet Constans II hem naar Rome overbrengen. waar hij evenals die van Augustus de spina sierde. De vergulde bronzen bol op het piramidion van de obelisk werd door een bliksem getroffen en vervangen door een ornament in de vorm van een vlam, ook in verguld brons. Een inscriptie van 24 hexameters op de vier zijden van de basis loofde de onderneming van Constans II in enthousiaste bewoordingen, hierbij de nadruk leggend op de nauwe band met Rome die de keizer onderhield. Deze obelisk was het laatste grote monument dat op de spina van het Circus Maximus werd opgericht. Hij staat nu bekend als de Lateraanse obelisk, opgesteld op het plein voor San Giovanni in Laterano (zie Nieuwsbrief van 1 juni 2023).

Het Circus Maximus bleef het toneel zijn van paardenwedrennen en dit nog gedurende heel de 5de eeuw. De laatste vermelding van spelen in Rome gaat terug tot 549, toen Totila een somptueus spektakel organiseerde, naar alle waarschijnlijkheid opgevoerd in het grootste circus van het rijk.

Deze tekst is gebaseerd op de veel diepgaandere informatie die ons werd bezorgd door dhr. Frans Veevaete.