17 mei 2023 —
Reeks Sixtijnse obelisken – Aflevering 3
Van de 13 antieke obelisken die Rome telt werden er 4 gerestaureerd en heropgericht door paus Sixtus V: in 1586 de Vaticaanse obelisk, de enige die sinds de Oudheid was blijven rechtop staan; in 1587 die achter de Santa Maria Maggiore op de Esquilijn; het volgende jaar herrees de grootste obelisk naast het paleis van Lateranen en in 1589 ten slotte die op Piazza del Popolo, nabij de Porta Flaminia. Eenvoudigheidshalve zullen we in het vervolg spreken over respectievelijk de Vaticaanse, de Esquilijnse, de Lateraanse en de Flaminische obelisk. Vandaag beginnen we met de oudste: die van het Vaticaan.
De obelisk op Piazza San Pietro is van het anepigrafische type, dit wil zeggen dat er zich op de schacht geen hiëroglyfen bevinden waaruit we anders belangrijke gegevens zouden kunnen afleiden omtrent de plaats waar hij zich in Egypte bevond en omtrent de opdrachtgever, in casu de farao die de monoliet heeft laten oprichten.
Omtrent de oorsprong zijn we daarom aangewezen op de gegevens die we in de literaire bronnen kunnen terugvinden, en dat zijn er drie, twee Griekse en één Latijnse, namelijk Herodotus , II, 111; Diodorus Siculus , I, 59, en Plinius Maior, Naturalis Historiae, XXXVI, 15,74.
Dankzij Plinius weten we zeker dat de obelisk van het Vaticaan door Caligula (37-41) naar Rome werd getransporteerd. Het was de derde monoliet die uit Egypte naar Rome was overgebracht; de eerste twee eerste had Augustus laten overbrengen: één voor het Circus Maximus (nu op Piazza del Popolo) en een (nu op Piazza Montecitorio) voor het Horologium Augusti op het Marsveld, waar hij als gnomon voor de zonnewijzer moest dienen. Plinius Maior was geboren in 23 n.Chr. en kan dus de overbrenging en oprichting van de Vaticaanse obelisk ten tijde van Caligula hebben meegemaakt.
Op basis van de teksten van Plinius en ook die van Herodotus en Diodorus Siculus kan men besluiten dat deze obelisk in de 19de eeuw v.C. moet zijn opgericht in de Egyptische stad Heliopolis, waar hij stond opgesteld bij de tempel van Ra, de zonnegod. Egypte werd door Rome veroverd in 31 v.Chr. en onze obelisk zou door de eerste prefect van Egypte, Cornelius Gallus, tussen 30 en 28 v.Chr. vanuit Heliopolis zijn overgebracht naar Alexandrië, de toenmalige hoofdstad van Egypte. Daar werd de obelisk opgesteld op het Forum Iulium dat was aangelegd ter ere van Gaius Iulius Caesar Octavianus, die later Augustus werd genoemd.
De vroegere geschiedenis van de obelisk is de interessantste van alle exemplaren die in Rome zijn opgesteld, niet alleen door zijn centrale plaats op dit imposante en best bekende plein ter wereld, maar nog meer door één van de meest intrigerende en vooralsnog onopgeloste vraagstukken van de moderne Romeinse archeologische wetenschap: het Circus van Gaius (alias Caligula) en Nero.
Hiervoor dienen we wat terug te gaan in de geschiedenis, naar de periode vóór het begin van onze tijdrekening, en meer bepaald naar de vriend en schoonzoon van Augustus, Marcus Vipsanius Agrippa, die we ook kennen als de bouwheer van het eerste Pantheon. Agrippa bezat een villa met tuinen in de buurt van de Montes Vaticani, die hij later overmaakte aan zijn dochter Agrippina Maior, de vrouw van Germanicus; zij was de moeder van de latere keizer Caligula en de grootmoeder van Nero.
Agrippina Maior bezat hier dus tuinen. Die strekten zich uit tot aan de oever van de rivier, waarlangs een laan en een porticus liepen. Veel moeilijker is het de grenzen van deze eigendommen af te bakenen in de richting van de Ianiculum en van de Montes Vaticani; zeker is dat ze het Circus van Caligula moeten omvat hebben, waarnaast later de Basilica di San Pietro in Vaticano verrees, waarschijnlijk aan de noordelijke grens van het Circus.
In deze tuinen oefende Caligula zich gepassioneerd in paardenwedrennen, en maakte hij een begin met de bouw van een circus. Vermoedelijk was dit circus privaat en was het opgetrokken in hout, met de carceres naar de Montes Vaticani gericht en de eerste keerpaal of meta in de richting van de Tiber geplaatst. Op de spina van het circus stond een obelisk: de monoliet in rood graniet die zich vandaag centraal op Piazza San Pietro bevindt. Het circus werd afgewerkt door Nero (circus Gai et Neronis). Als gevolg van de brand die in 64 n.Chr. en groot deel van Rome verwoestte, werden nabij het circus voorlopige schuilplaatsen gebouwd voor de personen die tijdens de brand hun woning hadden verloren. Nero stak de schuld voor de brand op de christenen en liet hen in dit circus terechtstellen; volgens de kerkelijke traditie was Petrus een van hen.
Langs een pad in aangestampte aarde ontwikkelde zich aan de noordelijke zijde van het circus in de loop van de 2de eeuw een reeks graven in opus latericium, die later de pre-Constantijnse necropool van het Vaticaan zou worden genoemd. Uitgestrekte begraafplaatsen begonnen zich te ontwikkelen langs de Via Triumphalis die de stad verbond met Veii en ten noorden van de Vaticaanse heuvel liep, en langs de Via Cornelia die Rome verbond met Cerveteri. Deze begraafplaatsen bestonden uit grafkamers en gemeenschappelijke graven voor slaven en vrijgelatenen van de keizerlijke familie.
De topografie van het Vaticaanse domein laat vermoeden dat het circus met zijn lange as in oost-westelijke richting georiënteerd lag, en eeuwenlang geloofde men dat de zuidelijke muur van Constantijns kerk gebouwd was op de noordelijke muur van het Circus van Caligula. Dit vermoeden werd daarbij nog gestaafd door de positie van de obelisk die Caligula uit Egypte had laten aanbrengen, meer bepaald op de spina, het verhoogde middendeel van de renbaan volgens de lange as.
Zich baserend op tekeningen van vóór de verplaatsing van 1586, kon men de oriëntatie van de dwarse as van de renbaan bepalen, wat op zijn beurt toeliet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de ligging van de muren te determineren; op die manier beschouwde men het gedurende eeuwen als een vaststaand feit dat de noordelijke muur van het circus zich onder de kerk van Constantijn bevond.
Toen in 1939 een aanvang werd gemaakt met de voorbereidingen tot de aanleg van het praalgraf voor Pius XI, ontdekte men onder de vloer van de oude kerk een aantal heidense graven, zodat meteen een systematische opgravingscampagne werd aangevat. Eén belangrijke ontdekking betrof het feit dat noch van het circus, noch van de Via Cornelia, die de normale toegangsweg naar deze plaats moest zijn, ook maar enig spoor werd teruggevonden. De muren van Constantijns kerk stonden als het ware op ‘maagdelijke’, voordien ongebruikte grond, terwijl de zuidelijke rij graven (125-200 n.Chr.) zich bevond op de plaats waar men voorheen het traject van de Via Cornelia had vermoed. De Vaticaanse archeologen, onder wie Kirschbaum en Ferrua, die zich met de opgraving van de pre-Constantijnse necropool bezighielden, verwierpen zelfs op basis hiervan het bestaan van een circus in de buurt van de basiliek.
De oude veronderstellingen vielen hiermee aan diggelen, maar toch bewees deze opgraving dat het circus zich op een of andere manier hoe dan ook in de nabijheid van de Sint-Pietersbasiliek moest bevonden hebben. Inderdaad ontdekte men in het mausoleum van Gaius Popilius Heracla, gelegen in de noordelijke straat van de necropolis, een marmeren fragment met een deel van zijn testament waarop ondermeer aanwijzingen voor de begrafenis stonden: zijn tombe moest worden opgericht in Vatic(ano) ad circum, dus op het Vaticaan bij het circus.
De obelisk blijft evenwel het meest cruciale bewijsstuk voor het bestaan van een circus. Plinius lokaliseert het monument immers in Vaticano Gai et Neronis principum circo, d.w.z. “in het Vaticaanse circus van de keizers Gaius (ons bekend als Caligula) en Nero”. Als de Vaticaanse obelisk in het circus zelf stond, dan was de nagenoeg enige mogelijke plaats de spina, en in dat geval kon het niet anders of de noordelijke muur moest zich onder de kerk bevinden.
Een belangrijke studie is die van Magi uit 1973. Volgens hem zou de arena zich westwaarts hebben uitgestrekt tot aan de Santo Stefanokerk die in de Giardini Vaticani ligt, kort achter de apsis van de huidige basiliek. De lengte zou zo’n 560 m hebben bedragen, slechts 20 m korter dan die van het Circus Maximus. Het betreft hier alleen een poging tot situering, en het blijft ver van zeker dat ze de omvang van het circus weergeeft zoals het gebouwd is onder Caligula. Dit monumentale bouwwerk zou kunnen voltooid zijn door één van zijn opvolgers, keizer Claudius of Nero, en Plinius’ verwijzing naar het Circus van Gaius (Caligula) en Nero staaft het vermoeden dat deze laatste er zeker een hand heeft in gehad.
Men is niet zeker of er tijde van Caligula reeds publieke wedrennen plaatsvonden; wel heeft Claudius (41-54) er openbare races in laten organiseren en ook venationes, dierenjachten. Nero moet het vooral privé hebben gebruikt, maar vast staat (dit volgens de Annales van Tacitus) dat in 64 n.Chr., na de brand van Rome, de schuldig bevonden christenen met pek ingewreven als levende toortsen de arena verlichtten, terwijl Nero er met een gespan rondjes maakte. Ook liet hij de Via Cornelia aanleggen om het circus voor het publiek beter bereikbaar te maken.
Na Tacitus’ betrouwbare relaas komt er in de antieke geschiedschrijving geen objectieve verwijzing naar de activiteiten in het circus meer voor. De gronden van het Vaticaan werden door Vespasianus aan het volk vrijgegeven uit propagandistische overwegingen, zoals hij trouwens ook gedaan had met het terrein van Nero’s Domus Aurea.
De verdere geschiedenis van het circus blijft duister. Gedurende de tweede eeuw was het zeker nog in gebruik, maar weinig later moet het snel in verval zijn geraakt en vergeten. De renbaan werd overdekt door een laag afval en er bovenop werd reeds in de tweede helft van de 2de eeuw een graf gebouwd, voorzien van grafkamers. Bij het begin van de daaropvolgende eeuw werd wat nog resteerde van het circus en van het graf bedolven door een nieuwe aarden wal met een dikte van 3 m rondom de obelisk, en op die laag werd een groot gebouw geconstrueerd met een ronde vorm en een diameter van ongeveer 30 m, overdekt door een koepel.
De necropool langs de noordelijke flank van het circus begon zich uit te breiden naar het zuiden. Voor de oudste graven, waarvan er enkele geherstructureerd werden, werd tussen het einde van de 2de eeuw en het midden van de 3de een tweede rij tomben aangelegd met grafkamers, voor individuele of collectieve begrafenissen; ze waren opgetrokken in opus latericium en gescheiden door nauwe steegjes. Ook op de necropool langs de via Triumphalis werden nieuwe tomben gebouwd tussen de noordoostelijke hellingen van de Vaticaanse heuvel en de onderliggende vlakte.
De tekst van deze Nieuwsbrief is gebaseerd is op een veel grondiger studie van clublid Frans Veevaete. De volgende aflevering gaat over de Vaticaanse obelisk in de middeleeuwen en de renaissance.

