8 juni 2023 —
Reeks Sixtijnse obelisken – Aflevering 6
De Flaminische obelisk, zoals men die op de Piazza del Popolo ook wel noemt, verheft zich in het midden van het plein. Zoals de Lateraanse is hij eveneens voorzien van hiëroglyfen en van een piramidion. Beide obelisken sierden eens de spina van het Circus Maximus, maar de Lateraanse arriveerde pas in 357 n.Chr. op bevel van Constantius in Rome terwijl de Flaminische reeds vóór onze tijdrekening naar Rome werd gebracht, meer bepaald door Augustus in 10 v.Chr. Gezien deze vroege datum was de obelisk ook reeds aan Plinius Maior bekend.
Het is eigenaardig dat Augustus in zijn de Res Gestae divi Augusti (De verwezenlijkingen van de vergoddelijkte Augustus), waarin hij toch vrij veel aandacht besteedt aan zijn eigen bouwkundige ondernemingen in Rome, niet rept over de oprichting van de twee obelisken, die op het Circus Maximus en die bij het Horologium Augusti op het Marsveld. De tekst is ons echter op een verhakkelde manier overgeleverd, deels in het Latijn en deels in het Grieks, zoals hij voorkomt op het Monumentum Ancyranum (Ankara). Hij schrijft alleen: Aegyptum imperio populi (Ro)mani adieci: Ik voegde Egypte aan het rijk van het Romeinse volk toe (V, 27).
Het 14de en 15de hoofdstuk van Boek XXXVI van Plinius’ Naturalis Historia zijn gewijd aan de obelisken. Het feit dat Plinius de obelisk die in 10 v.Chr. op het Circus Maximus werd geplaatst, vermeldt vóór de obelisk die nadien op het Campus Martius zou komen te staan, maakt het aanvaardbaar dat het om de eerste obelisk ging die uit Egypte naar Rome werd getransporteerd, na de annexatie van het land in 31 v.Chr. Volgens de hiëroglyfen werd de obelisk uitgehakt onder farao Setis I (1371-1301 v.Chr.) en ingehuldigd door Ramses II (1289-1232 v.Chr.) in Heliopolis.
De obelisk, de grootste van de twee die Augustus liet overbrengen, werd opgericht op de spina van het Circus Maximus, vermoedelijk in het midden ervan. Op het piramidion stond een vergulde bronzen sfeer. De schacht rustte niet onmiddellijk op het voetstuk, maar op vier bronzen astragalen. Augustus liet op het voetstuk ook een inscriptie aanbrengen; die is bewaard gebleven en zullen we verderop met de andere inscripties weergeven. Het geheel stond dus op de metershoge spina, zodat het geheel een hoogte van meer dan 30 m moet hebben bereikt. Toen Constantius in 357 n.Chr. de andere obelisk, die veel ouder en groter was, naar Rome liet brengen om hem op te richten op dezelfde spina, moet die van Augustus verplaatst zijn vanuit het centrum om het geheel een symmetrisch uitzicht te geven.
Men weet niet wanneer de obelisk van Augustus moet zijn omgevallen en in stukken gebroken; zeker moet dit zijn gebeurd na de val van de obelisk van Constantius, omdat de fragmenten minder diep onder de grond lagen. Uit de vindplaats was ook hun relatieve positie op de spina af te leiden. De rest kunnen we volkomen vergelijken met wat we dienaangaande hebben geschreven over de ontdekking van de Lateraanse.
Tijdens het Cinquecento werd wel de basis ontdekt maar opnieuw onder de grond bedolven, tweemaal zelfs, de laatste keer in 1579 onder het pontificaat van Gregorius XIII, de paus die bekend is van de kalenderhervorming (1582), waarbij men wel de twee inscripties van Augustus noteerde.
Het was ten slotte Sixtus V die besloot de twee obelisken van het circus uit te graven op aanwijzing van Mercati. Onder leiding van Domenico Fontana vond meester Matteo da Castello bij middel van een peilijzer eerst de obelisk van Constantius terug en daarna, op 17 februari, die van Augustus die er 60 m van verwijderd lag, in drie stukken gebroken. Het duurde tot mei van hetzelfde jaar alvorens alles volledig was uitgegraven en overgebracht naar de Via dei Cerchi; het zou een zeer moeilijk karwei zijn geweest.
De paus wist aanvankelijk niet goed wat hij ermee zou aanvangen: de monoliet aan het Romeinse volk schenken, aan de Benedictijnen van San Paolo fuori le Mura of hem laten oprichten voor de basilica van Santa Croce in Gerusalemme. Uiteindelijk kwam het tot een overeenkomst met de kerkfabriek van Santa Maria del Popolo om hem te plaatsen op het plein voor deze kerk.
De obelisk werd opgericht door Domenico Fontana volgens dezelfde procedure als de drie vorige, in het midden van Piazza del Popolo, een plein dat op dat ogenblik nog de vorm van een onregelmatig trapezium had en die zou blijven behouden tot de heraanleg door Valadier in het begin van de 19de eeuw. Er werd rekening gehouden met de zogenaamde Tridente, de drietand gevormd door de Via del Corso in het midden, de Via di Ripetta rechts als men kijkt vanaf de Porta Flaminia, en de Via del Babuino links. Men hield ook rekening met het perspectief van de spits van de Sint-Pietersbasiliek in de verte; de paus had liefst gewild dat er ook rechte lijnen konden getrokken worden tussen de obelisken bij Santa Maria Maggiore, Trinità dei Monti en die op Piazza del Popolo, maar dit viel niet te realiseren.
De obelisk werd opgericht op een platform en een sokkel uit travertijn, restanten van de sloop van het Septizodium Severi naast de ronde zijde van het Circus Maximus. Hierop kwam eerst een voetstuk te staan uit rood graniet tussen een basis en een kroonlijst van travertijn, met daarop nog eens een marmeren plaat; omdat de basis van de schacht sterk gemutileerd was, werd deze met drie palmen (0,67 m) ingekort.
Om onderaan de basis een schaduwzone te creëren, in de Oudheid verwezenlijkt door de vier astragalen in brons, moest men de doorsnede van de schacht met één palm (0,22 m) vernauwen; het was de bedoeling daar ook vier leeuwenfiguurtjes te plaatsen zoals bij de Vaticaanse obelisk, doch daar is niets van in huis gekomen. Wel werden de hiëroglyfen bijgewerkt die door de inkorting waren weggevallen.
De twee inscripties uit de tijd van Augustus werden behouden en zijn gericht naar het noorden en het zuiden, dit wil zeggen naar de Porta Flaminia en de Via del Corso. De westelijke en oostelijke zijde van de sokkel, respectievelijk gericht naar de Tiber en naar de Pincius, werden voorzien van twee eigentijdse inscripties waarvan de tekst werd opgesteld door kardinaal Antoniani.
Zoals bij de andere drie obelisken bekroonde men het piramidion met de heraldische symbolen van de paus, zijnde het trimonzio, de ster en het kruis.
De schacht van de obelisk heeft een lengte van 21,66 m.
Het piramidion meet 2,23 m.
De Sixtijnse heraldische symbolen meten samen 4 m.
Het voetstuk, de sokkel en de basis onderaan de schacht hebben een lengte van respectievelijk 2,30, 3,48 en 1,30 m.
De totale hoogte van het monument bedraagt daarom 21,66 + 2,23 + 4 + 2,30 + 3,48 + 1,30 = 37,67 m.
Ter vergelijking: de Lateraanse heeft een hoogte van 45,67 m, de Vaticaanse 40,10 m en de Esquilijnse 26,85 m.
Op de noordelijke en zuidelijke vlakken van het voetstuk, respectievelijk gericht naar de Porta Flaminia en de Via del Corso, staat de volgende inscriptie van Augustus:
IMP. CAESAR. DIVI F.
AUGUSTUS
PONTIFEX MAXIMUS
IMP. XII COS. XI TRIB. POT. XIV
AEGYPTO IN POTESTATEM
POPULI ROMANI REDACTA
SOLI DONUM DEDIT
(Keizer Augustus, zoon van de vergoddelijkte Caesar, pontifex maximus, twaalfmaal imperator, negenmaal consul, veertien maal bekleed met de tribunicische macht, gaf [deze obelisk] als een geschenk aan de Zon, eenmaal hij Egypte aan de macht van het Romeinse volk had onderworpen).
Op de oostelijke zijde, gekeerd naar de Pincio, staat volgende tekst van Sixtus V:
ANTE SACRAM
ILLIUS AEDEM
AUGUSTIOR
LAETIORQ. SURGO
CUIUS EX UTERO
VIRGINALI
AUG. IMPERANTE
SOL IUSTITIAE
EXORTUS EST
(Ik verrijs verhevener en vreugdevoller voor de heilige tempel van Hem, die onder de regering van Augustus uit de schoot van de Maagd geboren werd, als zon der rechtvaardigheid).
Op de westelijke zijde van de sokkel, gericht naar de Tiber, staat de volgende tekst van Sixtus V:
SIXTUS V. PONT.MAX.
OBELISCUM HUNC
A CAES. AUG. SOLI
IN CIRCO MAX. RITU
DICATUM IMPIO
MISERANDA RUINA
FRACTUM OBRUTUMQ.
ERUI TRANSFERRI
FORMAE SUAE REDDI
CRUCIQ. INVICTISS.
DEDICARI IUSSIT
A. M.D.LXXXIX PONT.IV
(Paus Sixtus V gaf de opdracht deze obelisk, die door keizer Augustus op het Circus Maximus op goddeloze wijze aan de zon was opgedragen, en die onder troosteloze ruïnes gebroken lag toegedekt, op te graven en over te brengen, en zijn vorm terug te geven, om die op te dragen aan het onoverwinnelijke kruis, in het jaar 1589, het vierde van zijn pontificaat).
Op de plint van de sokkel aan de oostelijke zijde, gericht naar de Pincius, staat het gemutileerde opschrift:
ARCHITECT. EREXIT
([Domenico Fontana], architect, richtte [deze obelisk] op).
De fontein die in 1572 op verzoek van Gregorius XIII in het midden van het plein was opgericht door Giacomo della Porta, werd verwijderd om plaats te maken voor de obelisk maar werd nadien weer opgericht aan de rand ervan, gericht naar de Via del Corso.
Bij de heraanleg van het plein in het Ottocento liet Valadier de obelisk en de fontein aanvankelijk ongemoeid, maar in 1823 voegde hij er bij de definitieve vormgeving ervan een groot vierkant basement aan toe bestaande uit vijf trappen, bedoeld om de obelisk van het plein te scheiden. Ter hoogte van de afgestompte hoeken van het vierkant plaatste hij vier piramidevormige voetstukken met zes diagonaal geplaatste trappen, waarop vier marmeren leeuwen kwamen te liggen die water spuiten in de onderliggende ronde bekkens.
De oude fontein werd ontmanteld en overgebracht naar het plein van de kerk van San Pietro in Montorio. In 1950 verhuisde ze dan naar de Piazza Nicosia.
Met dank aan clublid Frans Veevaete voor deze tekst. Dit was de laatste aflevering van zijn reeks over de Sixtijnse obelisken.

