15 juni 2023 —
Avonturen met opschriften XXXI
Michiel Verweij
(Koninklijke Bibliotheek van België)
Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van SPQR zal ik enkele van deze teksten voorstellen. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel 31.
Op 17 september 2023 zal het namelijk 30 jaar geleden zijn dat schrijver dezes voor het eerst voet zette in de Stad der steden, Rome. Hij weet nog goed hoe hij in het vliegtuig zat en hoe de treinreis naar Roma-Ostiense verliep. En dan, het moment waarop de trein de Tiber overstak! En toen, een flits, het eerste monument van Rome, niet meer dan een flits: de hagelwitte piramide van Cestius!
Maar u weet hoe het gaat. Dichtbij de piramide van Cestius is niet zo heel veel te zien (alhoewel …) en op Ostiense neemt men de metro om naar Termini te gaan en zo komt het dat het pas heel wat jaren later was dat Schrijver dezes de piramide van dichtbij aanschouwde. De laatste tijd (de coronajaren uitgezonderd) heeft hij de gewoonte aangenomen om te voet vanaf Ostiense het centrum in te lopen, klauterend over de Aventijn. En dan ziet hij dus steeds als eerste monument dichtbij de kleine witte piramide.
Een piramide is op het oog een eenvoudige geometrische vorm. Dat zal wel zo zijn tot het moment waarop je er een gaat bouwen. De piramide van Cestius is spitser, steiler dan de piramiden van Gizeh. En een stuk kleiner dan die van Chufu (die we kennen als Cheops), Chefren en Mykerinos. Van de andere kant heeft de Romeinse piramide nog wel zijn gladde bekleding, terwijl die platen van de afwerking in Gizeh allang zijn weggehaald.
Oorspronkelijk bevond Cestius’ piramide zich tussen twee Romeinse wegen die hier samenliepen en de Via Ostiensis vormden. Het plaveisel van de weg links van de piramide (van de kant van het station gezien) is nog te zien. In de 3de eeuw werd het stevige gevaarte van de piramide gebruikt bij de aanleg van de Muur van Aurelianus, wat de overlevingskans van het monument aanzienlijk vergrootte. Een collega-piramide tussen de Sint-Pieter en Castel Sant’Angelo werd in de renaissance onverbiddelijk gesloopt. U vindt er nog een afbeelding van op de deur van Filarete in de Sint-Pieter.
Er is een algemene wet in Rome die zegt dat hoe beter het monument bewaard is, hoe minder we weten wat het is. De Piramide van Cestius is de uitzondering. Hier weten we dankzij het opschrift dat het een grafmonument is en zelfs voor wie. Voor niemand minder dan C1aius Cestius Epulo. Althans waarschijnlijk. Alleen weten we dan weer niet of nauwelijks wie onze vriend Cestius was…
Laten we het opschrift eens bekijken. Dat bestaat (afgezien van een aanduiding betreffende de restauratie in 1663) uit twee delen. Eerst staat er in grote letters:
C CESTIVS L F POB EPVLO PR TR PL
VII VIR EPVLONVM
C(aius) Cestius L(ucii) f(ilius) Pob(lilia) Epulo pr(aetor) tr(ibunus) pl(ebis) / (septem)uir epulonum.
‘Caius Cestius Epulo, zoon van Lucius, uit het kiesdistrict Poblilia, praetor, volkstribuun, een van de zeven verantwoordelijken voor de openbare banketten.’
Vervolgens staat er in heel wat kleinere letters:
OPVS APSOLVTVM EX TESTA[..]NTO DIEBVS CCCXXX
ARBITRATV
L(?)] PONTI P F CLA MELAE HEREDIS ET POTHI L [?
Opus apsolutum ex testa[me]nto diebus CCCXXX / arbitratu / [Lucii ?] Ponti P(ublii) f(ilii) Cla(udia) Melae heredis et Pothi L(iberti).
‘Werk volgens het testament voltooid in 330 dagen onder toezicht van [Lucius?] Pontius Mela, zoon van Publius, uit het kiesdistrict Claudia, erfgenaam, en van Poth(i)us, vrijgelatene.’
In de onderste regel van het tweede opschrift lijkt vaag nog een letter te herkennen te zijn aan de linkerkant van PONTI. Dat zou dan de L van Luci moeten zijn, zoals dadelijk nog duidelijk zal worden. Of er op dezelfde regel rechts nog iets ontbreekt, zoals diverse transcripties in verschillende vermeldingen en bronnen suggereren, is mijns inziens niet zeker: de strikte symmetrie vereist het niet. Bovendien wat zou er hebben kunnen staan? Een F van filii? De goede man draagt geen praenomen. Een L van liberti? Maar van wie was Pothus dan een vrijgelatene? De puzzel is het eenvoudigste als we niets toevoegen en de L die we zien als een afkorting van liberti beschouwen, waardoor logisch gezien Pothus een vrijgelatene is van Cestius zelf (en dus een morele plicht tegenover Cestius kon voelen). Anders moeten we er al een vrijgelatene van Cestius’ vader van maken: dat kan wel, maar het wordt dan wel heel ingewikkeld en we hebben uiteindelijk geen greintje bewijs daarvoor. No shred of evidence.
Goed, dat was even filologie. Maar als we niet beginnen om de juiste vorm van de tekst te herstellen, komen we nergens.
Caius Cestius: die kennen we nergens van (behalve van zijn piramide). Niemand weet er iets meer over te vertellen buiten wat er op zijn graftombe staat. Al zijn er (overigens achtenswaardige) lieden geweest die een en ander gesuggereerd hebben. Zou de Pons Cestius bij het Tibereiland soms iets met hem te maken hebben? Doch wij laten ons niet door deze dingen afleiden. Zeker weten we alleen dat Caius Cestius praetor was en volkstribuun en dat hij een van de zevenmannen was, verantwoordelijk voor de openbare banketten van de goden(beelden).
Maar daar zit een addertje in het gras. Latet anguis in herba, zei Vergilius al. Tijdgenoot van Cestius trouwens. Want: hoe heette Cestius nu eigenlijk? Het begin is duidelijk, maar: Epulo? De naam staat op de plaats waar men een cognomen zou verwachten, maar is het niet eigenaardig dat dit cognomen ontleend zou zijn aan een van de functies van Cestius zelf? Normaal waren in deze tijd (en we spreken over de tijd van Augustus, de laatste 20 jaar van de 1ste eeuw v.Chr.) de cognomina kenmerken van bepaalde takken van families, wat zou betekenen dat Cestius ook de naam Epulo geërfd zou moeten hebben. En dan zou hij zelf ook epulo zijn geweest? Dat lijkt toch net iets te veel van het goede…
Niet dat de meeste auteurs die dit opschrift citeren daar een probleem van hebben gemaakt: algemeen staat onze Cestius te boek als C. Cestius Epulo. Maar schrijver dezes plaatst daar toch een vraagtekentje bij. Hij is nu eenmaal erg wantrouwend…
Hetzelfde wantrouwen passen we ook toe op het opschrift in kleinere letters. U zult in alle boekjes lezen dat deze piramide in de tijd van 330 dagen werd gebouwd. Dat is blijkbaar juist (oef!). Maar meestal leest u erbij: ‘zoals bepaald in het testament’. Kijk, dat klopt dus net niet. Of althans niet noodzakelijk. De wending ex testamento betekent inderdaad ‘volgens het testament’ of ‘zoals bepaald in het testament’. Deze formule treffen we in heel wat andere opschriften uit grafmonumenten aan: ze wijst erop dat de overledene enkele duidelijke bepalingen over zijn/haar grafmonument in haar/zijn testament had opgenomen. Dat laatste had dus ook Cestius gedaan en we kunnen er redelijkerwijs van uit gaan dat de piramidevorm aan Cestius’ eigen brein ontsproten is. Maar waarom zou hij hebben bepaald dat dit monument maximaal in 330 dagen moest zijn voltooid? En hoe zou hij dat hebben kunnen controleren? Zonder de manes (schim) van Cestius te willen onderschatten natuurlijk.
Het lijkt veel meer voor de hand te liggen om de tekst zo te duiden dat de uitvoerders (vermeld na arbitratu) zo trots waren op de relatief korte tijd die de voltooiing van dit bouwwerk had gekost, dat ze deze expliciet op het monument vermeldden. De formule ex testamento duidt er dan verder op dat een en ander (nl. de specifieke vorm) gestipuleerd was in het testament van Cestius. Dat de termijn dus door Cestius vastgelegd werd op 330 dagen, is wellicht een archeologisch fabeltje…
Piramiden trekken de aandacht. Door hun vorm. Én door het idee dat er iets ‘in’ zit. Vooral dat laatste valt tegen, maar dat betekent niet dat men het niet steeds opnieuw probeert. De oude Egyptenaren hadden met hun onleesbare hiëroglyfen een reputatie van grote en verborgen wijsheid en fascineerden de oude Romeinen evengoed als hun afstammelingen in de vroegmoderne periode. Dus… men ging graven.
De Piramide van Cestius heeft geen toegang uit de oudheid. De toegang die u nu ziet aan de kant van het Cimitero acattolico is dan ook pas in de 17de eeuw gemaakt. Schrijver dezes is hier nooit binnen geweest, maar men zegt dat er in het midden een kamer is. Leeg. Geen graf. Geen urn. Wel fresco’s die al wat verbleekt zijn. Én twee sokkels voor beelden. Volgens oude gravures moet op tenminste één ervan nog een stuk van een bronzen voet hebben gezeten. Gelukkig staat er ook een opschrift op:
M VALERIVS MESSALLA CORVINVS
P RVTILIVS LVPVS L IVNIVS SILANVS
L PONTIVS MELA D MARIVS
NIGER HEREDES C CESTI ET
L CESTIVS QVAE EX PARTE AD
EVM FRATRIS HEREDITAS
M AGRIPPAE MVNERE PER
VENIT EX EA PECVNIA QVAM
PRO SVIS PARTIBVS RECEPER
EX VENDITIONE ATTALICOR
QVAE EIS PER EDICTVM AEDIL
IN SEPVLCRVM C CESTI EX
TESTAMENTO EIVS INFERRE
NON LICVIT
M(arcus) Valerius Messalla Corvinus, / P(ublius) Rutilius Lupus, L(ucius) Iunius Silanus,
/ L(ucius) Pontius Mela, D(ecimus) Marius / Niger heredes C(ai) Cesti et / L(ucius) Cestius quae ex parte ad / eum fratris hereditas / M(arci) Agrippae munere per-/-uenit ex ea pecunia quam / pro suis partibus receper(unt) / ex uenditione Attalicor(um) / quae eis per edictum aedili(is) / in sepulcrum C(ai) Cesti ex / testamento eius inferre / non licuit.
‘Marcus Valerius Messalla Corvinus, Publius Rutilius Lupus, Lucius Iunius Silanus, Lucius Pontius Mela, Decimus Marius Niger, erfgenamen van Caius Cestius, en Lucius Cestius (hebben dit monument betaald) met het deel dat hem (= Lucius Cestius) als erfenis van zijn broer op last van Marcus Agrippa is toegevallen, en uit het geld dat zij ieder als hun deel hebben verworven uit de verkoop van de tapijten die ze volgens een edict van de aedilis niet in het grafmonument voor Caius Cestius mochten plaatsen.’
Niets is simpel op deze wereld. Ook niet deze tekst. Bovenstaande vertaling gaat uit van de lezing quae ex parte in het opschrift. Deze lezing wordt in verschillende edities evenwel gecorrigeerd tot qua ex parte (‘voor het deel dat’). De constructie zoals deze materieel op het opschrift wordt aangetroffen, is begrijpelijk als men ex parte beschouwt als vanuit de hoofdzin in de betrekkelijke bijzin getrokken, zodat het betrekkelijk voornaamwoord quae ervóór staat. Hereditas is dan een bepaling van gesteldheid.
Opnieuw excuses voor de filologie… Maar wie de tekst niet correct verstaat, zal hem ook niet kunnen interpreteren… Of is schrijver dezes nu ouderwets?
Eén ding is wel duidelijk: onze Cestius verkeerde in hoge kringen. Messalla Corvinus is niemand minder dan dé Messalla Corvinus, de beschermheer van Tibullus en de jonge Ovidius en de oom van Sulpicia. Messalla was de voornaamste Romein buiten de kring van Augustus. Ook de rechterhand van die laatste komt in het opschrift voor. Blijkbaar had Cestius een verzameling kostbare tapijten die hij in zijn grafkamer wilde laten bijzetten (waarom? Dat is het échte geheim van de kleine piramide!), maar de wetten tegen weeldezucht uit 18 v.Chr. verhinderden dat. Agrippa gaf dan toestemming om ze te verkopen en er beelden voor in de plaats te zetten. (Waarom dat dan wél mocht volgens de wetten tegen weeldezucht, ontgaat schrijver dezes ten enenmale.) Omdat Agrippa in 12 v.Chr. overleed, kan men de Piramide dus veilig dateren tussen 18 en 12 v.Chr. Dat is dan weer het voordeel.
Overigens ontdekken we onze Lucius Pontius van het opschrift aan de buitenkant ook in dit lijstje. Afwezig is dan weer Pothus, maar dat past ook in het verwachtingspatroon. De band die Pothus met Cestius verbond, was wellicht eerder op kleine schaal van belang. De vrijgelatene kon nog niet azen op omgang met de groten van het rijk van dat moment.
Maar daar blijft het niet bij. Want er is nóg een probleem met deze piramide. Ze is te spits. Ze is eigenlijk te steil om echt Egyptisch te zijn. In feite lijkt de Piramide van Cestius meer op de piramiden die in de 1ste eeuw en daarvoor gebouwd werden in Nubië, ten zuiden van Egypte. En laat nu net tijdens de regering van Augustus, tussen 30 en 20 v.Chr., een zekere Publius Petronius (níet de auteur van het Satyricon!) als gouverneur van Egypte een expeditie naar het Koesjitische koninkrijk Meroë hebben geleid… Augustus vermeldt deze expeditie overigens zelf in zijn Res gestae, 26.
Dat wil daarom nog niet zeggen dat onze Cestius daar zelf bij betrokken was. Hoogstens dat de vorm van die piramiden in Meroë net op dat moment ‘actueel’ was. Zoals gezegd, weten we buiten wat het opschrift ons vertelt, weinig over onze Cestius. Dat zijn vader Lucius heette bijvoorbeeld. En er wordt op het Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) een gouden munt bewaard waarop een zekere Lucius Cestius als muntmeester vermeld wordt (Du Chastel, 2B23/11, nr. 341 in de catalogus van de collectie Du Chastel)…
Alles rond het oude Egypte wordt snel met een waas van mysterie omgeven. Dat geldt voor de obelisken, dat geldt voor de hiëroglyfen, dat geldt ook voor de piramides. Ook de Piramide van Cestius deelt in hetzelfde lot. Daarom laten we de verschillende mysteriën nog eens de revue passeren:
1 Hoe heette Cestius nu eigenlijk? Was Epulo zijn cognomen of niet?
2 Was de bouwtijd van 330 dagen inderdaad in Cestius’ testament opgenomen? En zo ja, waarom?
3 Waarom wilde Cestius zijn tapijten in zijn grafkamer?
4 Hoe is het lichaam naar binnen gebracht, als er geen spoor is van een ingang of gang uit de oudheid?
5 Hoe zijn de dieven binnengekomen die ondermeer de bronzen beelden hebben geroofd?
6 Wie was Pothus?
7 Waarom zoeken we toch altijd mysteriën in piramiden?
U hebt het al gezien: de mysteriën zijn zeven in getal. Net als de zeven heuvelen en de zeven koningen van Rome. Er is echter nog één mysterie dat schrijver dezes meer dan alle andere hier opgesomde bezighoudt, nl.: wanneer zal hij de Piramide weer zien?
Met dank aan clublid dr. Michiel Verweij voor deze bijdrage.

