7 september 2023 —
In zijn vorige bijdrage behandelde clublid Frans Veevaete de necropool die op Isola Sacra is ontstaan langs de weg naar het zuiden: de weg die men later naar keizer Septimius Severus is gaan noemen (Zie Nieuwsbrief van 24 augustus 2023). In deze aflevering vervolgt hij de Via Severiana, of wat er nog van overblijft.
Eenmaal we de necropool van Portus voorbij zijn verdwijnt de Via Severiana in de wirwar van straatjes die Isola Sacra kenmerken, en dit tot aan de Tiber. Ook het veerpont waar men vroeger naar Ostia kon oversteken is niet meer te herkennen. We volgen daarom best de klassieke weg doorheen Ostia Antica, de Decumanus Maximus die begint aan de ingang van het opgravingsterrein en Ostia min of meer van oost naar west doorkruist. Voorbij het forum komen we aan een tweesprong. Rechts begint de Via della Foce, de straat naar de monding van de Tiber; op het einde is deze regio nog steeds niet volledig opgegraven en daar verdwijnt deze straat in de vlakte die met gras en onkruid is overwoekerd en zich tot aan de Tiber uitstrekt.
We volgen echter de Decumanus die naar links leidt tot aan de Porta Marina, de Poort naar de Zee. Daar hield dus de stad op en begon het strand, want Ostia lag oorspronkelijk aan zee maar door de verzanding bevindt de stad zich nu, twee millennia later, op meer dan twee kilometer van de zee. Bij de Porta Marina liggen ook de Thermen van de Porta Marina, en als we daar een paadje in noordoostelijke richting nemen, komen we opnieuw bij een herontdekt stukje van de Via Severiana.
Rechts van deze weg zien we de synagoge, één van de weinige gebouwen die in dit gebied al zijn opgegraven, maar bij de aanleg van de Via Guido Calza, de snelweg SS296 naar de luchthaven van Fiumicino die een brede bocht maakt rond Ostia Antica, kwam men tot de vaststelling dat dit buitenstedelijke gebied, zo dicht bij het strand, wel degelijk druk bebouwd was. De wandeling naar de synagoge is één van de verste die men in Ostia kan maken.
In het gebied van de synagoge heerst een sfeer van rust en verlatenheid, want zelfs op de drukste bezoekdagen is er bijna geen mens die het waagt zich zo ver te begeven, ook al omdat men de plek niet kent; alleen het lawaai van het autoverkeer naar de luchthaven moet men erbij nemen.
Al bij het begin van de opgravingen, zestig jaar geleden, trof men twee reusachtige marmeren draagbalken aan waarop een afbeelding van de menora te zien was, de joodse zevenarmige kandelaar. Die ontdekking werd onmiddellijk wereldnieuws, want men wist wel dat er in Rome reeds in de 1ste eeuw v.Chr. een joodse gemeenschap bestond, maar niet in Ostia. Bij verder onderzoek bleek het monumentale gebouw een synagoge te zijn, meteen de oudste synagoge van het Europese vasteland. Het archeologische onderzoek bracht aan het licht dat de synagoge reeds in de 2de eeuw n.Chr. was gebouwd en dat er een opmerkelijke renovatie plaatsvond in de 4de en 5de eeuw. De synagoge lag ook niet op de grens van de stad want die strekte zich veel verder uit: niet ver daarvandaan stond een zeer groot badhuis en lag een grote villa; zo te zien bevond de synagoge zich in één van de drukste delen van Ostia, terwijl ze nu in een verlaten uithoek van de opgravingsterrein ligt.
Als we over een synagoge spreken, dan denken we gemakkelijk aan een gebedsruimte zoals de christelijke kerken. Maar uit het grondplan blijkt dat de synagoge plaats bood aan uiteenlopende activiteiten; ze bestaat in feite uit drie aparte gebouwen en meerdere vertrekken: het hoofdgebouw met een onbekende functie dat vernietigd werd door de aanleg van de snelweg; waarschijnlijk een gebouw met een huishoudelijke functie. Men betrad deze ruimtes vanaf de Via Severiana. Kleinere kamers links en rechts van de ingang waren versierd met mozaïekvloeren. Lopend langs de grote zuilen komen we in de Hal van de Assemblee, het hart van de synagoge; het gebouwtje binnenin, waarvan de achterzijde naar het zuidoosten, dus naar Jeruzalem is gericht, was de plaats voor de heilige boeken, onder meer de Thora. De zuilen met de menora’s, waarover we reeds spraken, flankeren het Thoraschrijn.
Als we terugkeren naar de ingang van dit gebouw zien we aan de rechterzijde een ruimte die we als een keuken moeten interpreteren: een grote oven voor het bakken van brood en een bank met een grote marmeren plaat, waarschijnlijk bedoeld om voedsel te bereiden. Ook waterleidingen en afvoerpijpen werden er gevonden. Eén grote ruimte, nu Nr.18 genoemd, stelt ons voor een raadsel; de brede banken langs de muren suggereren dat het vermoedelijk om een eetzaal ging.
En zo moeten we ons bezoek aan de synagoge afronden; want er zit niets anders op dan terug te keren, aangezien de Via Severiana voor de zoveelste maal verdwenen is en een verdere doortocht wordt belemmerd door de autosnelweg. Om de ruïnes van de kustvilla’s te bezoeken die door de Severiana werden verbonden (of beter gezegd: zouden verbonden worden, want de route kwam er maar op het einde van de 2de en het begin van de 3de eeuw n.Chr.), dan nemen we best het openbare vervoer, meer bepaald het treintje naar Ostia tot eindhalte Cristoforo Colombo. Goed anderhalve kilometer verderop bereik je de Via della Villa detta di Plinio. Daar staat ons dan een meer dan 2 km lange wandeling over de Via Severiana te wachten doorheen het dennenwoud van Castel Fusano, waar het rustig en eenzaam is en men zelden andere mensen ontmoet.
De baan heet Via della villa “detta di Plinio”, d.w.z. “zogenaamd van Plinius”. De ruïnes die men op het einde van de weg aantreft werden lange tijd beschouwd als zijnde de villa van de auteur Plinius Minor (61-144 n.C.). Ondertussen heeft men echter achterhaald dat dit niet de villa van Plinius Minor is waaraan hij een hele brief wijdt, maar wel van Quintus Hortensius Hortalus, een redenaar uit de 1ste eeuw v.Chr. die eerst rivaal en later vriend was van Cicero.
Deze villa werd ontdekt in 1713 en noemde men aanvankelijk de Villa della Palombara en werd lange tijd beschouwd als die van Plinius. Archeologische opgravingen in de jaren 1980 en later in 2008 hebben aangetoond dat die oorspronkelijke identificatie niet correct was, ook al klopte de door Plinius vermelde afstand tot Rome en tot de Vicus Laurentium Augustanorum, het dienstencentrum van de keizer; maar zeker de oriëntatie klopte niet. Volgens de archeoloog Antonio Maria Colini moest de villa van Plinius 1 kilometer verderop worden gezocht binnen de Tenuta Presidenziale, het presidentiële domein, en was de site in Castel Fusano, dus de Villa della Palombara eigendom van Quintus Hortensius Hortalus. In de nabijheid van het complex is ook nog een stuk van de Via Severiana te zien en staat eveneens een oudchristelijk kerkje.
De bekende Romeinse archeologe Eugenia Salza Prina Ricotti voerde in 1984 studies uit in de Villa Magna a Grotta di Piastra, gelegen op het presidentiële domein van Castelporziano, en ontdekte dat dit het “Laurentinum” was geweest van Plinius Minor. Maar dat presidentiële domein is slechts uitzonderlijk te bezoeken.
En hiermee verlaten stilaan de Comune di Roma en zetten we onze tocht langs de Via Severiana stop.
Met dank aan clublid Frans Veevaete voor deze bijdrage.
Hierbij een kort filmpje over de genoemde overblijfselen en meer informatie voor een bezoek aan Ostia Antica.
De zgn. Villa van Plinius kan enkel worden bezocht na telefonische reservatie: zie https://www.sovraintendenzaroma.it/i_luoghi/roma_antica/monumenti/villa_cosiddetta_di_plinio.

