24 augustus 2023 —
In een vorige aflevering behandelde clublid Frans Veevaete Portus, de stad rond de haven die keizer Claudius had aangelegd aan de rechteroever van de Tiber en het bassin dat keizer Trajanus er later had aan toegevoegd. Dat bassin werd met de Tiber verbonden met een kanaal, de “Fossa Traiani”, en zo ontstond een soort kunstmatig eiland dat was omringd door de Fossa zelf, door de Tiber en door de zee. Het werd aanvankelijk ‘Insula Portūs’ genoemd (Eiland van Portus), en later ‘Insula Sacra’ omdat er een basiliek op stond, toegewijd aan de heilige Hippolytus van Rome.
Dit eiland werd doorsneden door de Via Severiana, maar reeds ten tijde van Trajanus (begin 2de eeuw) begon zich op het artificiële eiland een necropool te ontwikkelen, eerst langs het pad dat naar Ostia liep, en later langs de geplaveide Via Severiana, waarvan nog stukken bewaard zijn gebleven langs dit gedeelte van de weg.
De begraafplaats was zeer uitgebreid en besloeg een oppervlakte van zo’n 400 hectare. Wat de bezetting betreft was ze te vergelijken met de Etruskische en christelijke begraafplaatsen. Hoewel er veel tombes worden aangetroffen voor de armen, waren de meeste toch bestemd voor de middenklasse. Omdat de graven werden aangelegd in de 2de eeuw en de 3de eeuw n.C. zien we er de overgang van de Romeinse praktijk waar vooral crematie voorkwam naar de christelijke praktijk die uitsluitend begraving toeliet. Christenen geloven namelijk in de wederopstanding van de doden op de dag van het Laatste Oordeel. Men mocht dus niet gecremeerd worden, het lichaam diende integraal bewaard te blijven, althans het geraamte.
Na de 4de eeuw kon de begraafplaats niet meer worden gebruikt wegens de toenemende verzanding. Daaraan heeft men een vrij gave conservatietoestand te danken. Graven, grafhuisjes en mausolea verdwenen uit het zicht van plunderaars, dit in tegenstelling tot de grafmonumenten langs de Via Appia.
In 1927, ter gelegenheid van ontginningswerken op Isola Sacra, werden op een bepaalde afstand van de Fossa Traiani twaalf graftombes ontdekt ten zuidwesten van de basiliek van Sant’Ippolito. In de loop van de volgende vijftien jaar legde men meer zuidwaarts de hele necropool bloot, zoals we hem vandaag nog kennen. Er zijn circa 200 graven bewaard over een afstand van ongeveer 400 m. De necropool leek niet door te lopen tot aan Ostia.
De necropool wordt doorsneden door een straat die van Portus naar Ostia loopt, door de meesten geïdentificeerd met de Via Severiana, ofschoon er aanwijzingen bestaan dat daar reeds een weg liep op het einde van de 1ste eeuw n.C. Merk op dat de benaming ‘Severiana’ een moderne benaming zou zijn.
De necropool kwam in gebruik niet lang na de aanleg van de haven van Claudius. De tomben werden naast elkaar opgetrokken zonder een bepaalde orde, en vormden op de duur groepjes die door paden van elkaar waren gescheiden. Een ander eigenaardig feit is dat de graftomben aan de westelijke zijde van de weg in vier rijen liggen, terwijl aan de oostelijke zijde slechts op één rij; een gegeven waar geen duidelijke verklaring voor te vinden is.
Vanaf de 3de eeuw n.Chr. werd de beschikbare ruimte schaarser en schaarser, zodat de vroegste graven, onmiddellijk aan de rand van de straat, opnieuw in gebruik werden genomen en men tevens nieuwe tombes begon te bouwen bovenop de vroegere. Deze graven waren ook de laatste die nog werden gebouwd in de necropool zoals die ons bekend is; daarna beperkte men zich tot het hergebruik van bestaande graven.
De voorgevels zijn meestal opgetrokken in rood of geel baksteenwerk (opus latericium) en zijn soms versierd met vooruitspringende pilasters of met kroonlijsten. Vaak draagt de gevel een Latijns of Grieks opschrift dat de naam van de overledene en zijn testamentaire bepalingen i.v.m. het graf vermeldt. In vele gevels zien we ook de vroegere beroepsactiviteiten van de overledene afgebeeld in terracotta, onder andere die van een vroedvrouw, een chirurg, een graanhandelaar, een smid enzovoort. Daaruit leren we het dagelijks leven in het stadje Portus en de aard van haar bevolking: middenklasse, vrijgelaten slaven en kleine handelaars.
De ingang kon zijn voorafgegaan door een omheining die was gebouwd samen met de cella of er later werd aan toegevoegd, waardoor men een bijkomende begraafruimte kreeg. Sommige tombes hebben aan de zijkant van de deur aanligbedden waar men begrafenismalen kon houden of de verjaardag van het overlijden kon herdenken. In enkele gevallen zijn deze aanligbedden ook gebruikt als begrafenisruimte.
De meeste familiegraven hebben de vorm van een vierkante kamer of cella en dragen een tongewelf. De zijmuren en de achterkant bestaan veelal uit opus reticulatum, dus met ruitvormig geordende natuurstenen aan de buitenzijde; deze wanden zijn vaak met stuc bezet en rood geverfd.
Aan de binnenkant hebben de muren van de grafkamers bovenaan meestal nissen om de urnen bij te zetten, en onderaan veelal nisgraven (arcosolia) afgedekt met een voorplaat, waarin het lichaam kwam te liggen. In de 3de eeuw en naarmate het christendom zich uitbreidde, werd inhumatie de overwegende manier om te begraven om in de 4de eeuw de enige manier van begraven te worden.
De weg door de necropool heeft de ongebruikelijke breedte van 10,50 m en is enig in zijn soort wegens de onderverdeling in twee sectoren: een geplaveid gedeelte voor de wagens en daarnaast een gedeelte in aangestampte aarde voor de voetgangers. De tomben aan de rechterkant van de weg zijn minder talrijk en minder goed geconserveerd. Er staan wel een aantal belangrijke sarcofagen, waaronder een christelijke, met de afbeelding van Jezus en de apostelen.
Met dank aan clublid Frans Veevaete voor deze bijdrage. Dhr. Veevaete heeft ook een beschrijving opgesteld van de merkwaardigste graven uit deze necropool. Wie deze beschrijving wenst te verkrijgen kan ze aanvragen via info@spqr.be.
Praktische informatie voor een bezoek aan de havens van Claudius en Trajanus, het Museo delle Navi, Isola Sacra en Ostia antica vind je op https://www.ostiaantica.beniculturali.it/en/opening-hours-tickets/.

