Grafschriften voor kinderen

1 20230227 164759 (2025 11 21 13 43 38 utc)

12 oktober 2023 —

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van SPQR zal ik enkele van deze teksten voorstellen. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel 32, die ik opdraag aan de herinnering aan Michiel Verweij († 1867).

Waar vindt een mens in Rome opschriften? In de stad op de monumenten zelf en in speciale afdelingen van de Capitolijnse musea en de Thermen van Diocletianus, maar ook in de portieken van heel wat kerken, zoals de S. Giorgio in Velabro, de S. Marco, de S. Silvestro in Capite en de S. Maria in Trastevere. In de portiek van die laatste hangt, ongeveer op ooghoogte, tussen het rechter- en het middenportaal dat opschrift dat altijd weer de aandacht van schrijver dezes trekt en hem een wijle doet peinzen, de steen voor Maximinuske:

foto 1

MAXSIMINVS
Q ANN VIIII M VII
voluit: Maxsiminus / q(ui) ann(os) VIIII m(enses) VII.

in vertaling: Maximinus die 9 jaar en 7 maanden (geleefd heeft).

(Links van de tekst staat een afbeelding van een orante, een persoon die beide armen zijdelings heeft uitgestrekt, een typische houding om te bidden. Of dit bedoelt een voorstelling van Maximinus te zijn, is niet zeker, maar wel zeer goed mogelijk)

Het kan best een etter van een jong zijn geweest, maar schrijver dezes voelt zich toch iedere keer weer ontroerd. Zelfs in tijden waarin kindersterfte – anders dan in het Westen nu – veel voorkwam en dan ook als verschijnsel aanvaard werd, hebben de ouders en andere familieleden daarom gerouwd en verdriet gehad. De dood van een kind raakt zijn omgeving nu eenmaal altijd. Het is de spijt om het afbreken van wat een heel verhaal had kunnen worden. Enkele nieuwsbrieven terug heb ik de grafsteen van Spenis in Thessaloniki voorgesteld. Daar gold hetzelfde.

In de portieken van de genoemde kerken en ook bij de verschillende catacomben vindt u gemakkelijk nog heel wat andere voorbeelden. Een vaak toegevoegd stereotiep dulcissimus (‘allerliefste’) kan – ondanks het feit dat het stereotiep en wat clichématig is – wel zeker de gevoelens van de ouders en andere nabestaanden uitdrukken. Dat is het probleem met stereotiepe vermeldingen: aan de ene kant zijn ze zo frequent dat we denken ‘alweer een’, maar in elk individueel geval kunnen ze zeker wel oprecht bedoeld zijn. Wie zijn wij uiteindelijk om daarover te oordelen?

In de portiek van de S. Marco, een bescheiden kerk tegenover het triomferende Vittoriano, vinden we een andere verzameling. Daar hangt de grafsteen van Lucius Aurelius Trypho, die even oud werd als Maximinus:

foto 2

D M

L AVRELI

TRYPHO

NIS QVI

VIXIT AN

NIS IX MENS

VII

Voluit: D(is) M(anibus) / L(ucii) Aureli / Trypho-/-nis qui / uixit an-/-nis IX mens(ibus) / VII.

Vert.: Aan de Manes van Lucius Aurelius Trypho die 9 jaren en 7 maanden leefde.

Haast bezwerend wordt de leeftijd zo precies mogelijk vermeld. Dat was in Romeinse grafschriften vaak de gewoonte, zeker in de keizertijd, maar net bij kinderen krijgt deze vermelding iets wrangs, iets bezwerends ook ja, alsof men de korte leeftijd extra wil vatten door ze zo nauwkeurig mogelijk weer te geven.

Verder zien we dat dit opschrift (en dus Lucius Aurelius Trypho zelf) in ieder geval niet christelijk was en na de Flavische tijd te dateren valt, waarschijnlijk in de 3de eeuw (op basis van de vorm van de lettertekens op de sarcofaag).

Opschriften zijn vaak onvolledig, dat weet u. In een ander opschrift uit de portiek van de S. Marco ontbreekt net de naam, maar niet de leeftijd:

]A QVAE VIXIT ANNIS X. [

]I DP VIIII KAL FEBR DE[

Voluit: […]a quae uixit annis X […/…]i d(e)p(osita) VIIIIKal(endas) Febr(uarias) de[…].
Vert.: […]a die leefde 10 jaar […] begraven op 25 januari […].

De I in de tweede regel hoort vermoedelijk bij de telling van de dagen (of de maanden), maar de tekst is te onvolledig om zelfs maar een gok te wagen. Dit opschrift moet eerder in de late oudheid gesitueerd worden (3de-4de eeuw n.Chr.), toen de gewoonte ontstond om de datum van de begrafenis te vermelden. Mogelijk was het meisje christen: ook dat hangt samen met de periode en deze gewoonte m.b.t. de begrafenisdatum. Opmerkelijk is dat het jaartal meestal niet gegeven wordt (op welke wijze dan ook): het jaar als zodanig was niet van belang, wel de datum, omdat men dan op passende wijze de overledene kon gedenken met een herdenkingsmaaltijd, het refrigerium. In katholieke kring viert men nog steeds jaargetijden voor overledenen, waarbij de sterfdatum van belang is, maar het jaar niet.

In andere gevallen is net de leeftijd weg. Leest u eens het volgende opschrift uit de portiek van de S. Marco en probeer eens na te gaan wat er niet klopt…:

foto 3

ΓΑΖΑ ΙΒ ΚΑΛ Ζ[…]ΙΩΝ ΔΩΡΜΙΤ ΙΝ ΠΑΚΕ

ΦΙΛΙΑ ΓΑΙ

Voluit: Γαζα ιβ’ καλ(ενδας) Ζ[…]ιων δωρμιτ ιν πακε / φιλια Γαι

Vert.: Gaza, 12 voor de kalenden van […] slaapt in vrede, dochter van Gaius.

Als dit Grieks is, dan is schrijver dezes een olifant en aangezien hij geen olifant is, is dit geen Grieks, maar Latijn in Griekse letters… De formule dormit in pace suggereert in dit geval dat Gaza (haar naam betekent ‘schat’) christen was. Haar vader heette Gaius. Meer hebben we niet en de naam van haar moeder evenmin. De Griekse cijferletters ιβ’ wijzen vermoedelijk op de 12de dag vóór de kalenden van een maand en niet op de leeftijd, al is absolute zekerheid hierover niet te verkrijgen. Dat schrijver dezes denkt dat ook Gaza erg jong gestorven is, berust op de hele sfeer en vooral op het feit dat ze enkel wordt omschreven als ‘dochter van Gaius’: als ze getrouwd geweest was (en meisjes waren in de Romeinse tijd al met 12, 13 huwbaar), zou dat vermeld geweest zijn. Tenzij er een enorm conflict tussen de vader en de schoonfamilie bestond, maar als we zo beginnen, houdt het nooit op. Nee, laten we maar aannemen dat Gaza jong gestorven is.

Wat die huwbare leeftijd betreft, bevindt zich in de portiek van de S. Maria in Trastevere nog een poignant voorbeeld:

foto 4

RENNIAE PRIME QVAE VIXIT

ANNIS XIII M XI DIEBVS XXIII

RENNIVS LEGITIMVS CONIVGI

BENEMERENTI

(met aan de rechterkant een ingekraste tekening van een duif)

Renniae Prime quae uixit / annis XIII m(ensibus) XI diebus XXIII / Rennius Legitimus coniugi / benemerenti.

Vert.: Voor Rennia Prima die 13 jaar, 11 maanden, 23 dagen leefde, Rennius Legitimus voor zijn vrouw die dit wel verdiend heeft.

U leest het goed. Rennia Prima is net geen 14 geworden en was getrouwd met Rennius Legitimus. Schrijver dezes neemt tenminste aan dat Legitimus een deel van de naam van Rennius was, want zo staat het geconstrueerd. Tenzij de vermelding coniugi benemerenti een grove fout van de steenkapper is (het gaat uiteindelijk om een vaste formule), kunnen we niet anders dan aannemen dat Rennia Prima inderdaad de echtgenote van Rennius Legitimus was. Het identieke nomen gentilicium kan erop wijzen dat beiden vrijgelatenen (of kinderen van vrijgelatenen) waren uit eenzelfde familia. Slaven konden uiteindelijk geen wettelijk huwelijk aangaan.

In de Friezenkerk (inmiddels overigens flink ont-Friest) bevindt zich een ander, veel jonger, ontroerend opschrift voor een prutske dat niet eens één volle dag geleefd heeft. Het inspireerde de vader tot enkele elegische disticha:

foto 5

D O M

PARVVLVS (ET PROPERAS QQ)

LAPIS ISTE VIATOR

TE ROGAT ASPICIAS

VERBAQVE PAVCA LEGAS

HEC SVNT EXIGVO

VASINIDOS OSSA SEPVLCHRO

TECTA DEDIT RAPVIT

QVAM SIMVL VNA DIES

VASINIOLAE QVAE VIXIT

HORAS NOVEM ET DECEM

VASINIVS GAMBERIVS POSVIT

MCCCCLXXXVII XI KL APRIL

D(eo) O(ptimo) M(aximo)

Paruulus et properas q(uam)q(uam) / lapis iste uiator

Te rogat aspicias / uerbaque pauca legas.

Hec sunt exiguo / Vasinidos ossa sepulchro

Tecta, dedit rapuit / quam simul una dies.

Vasiniolae quae uixit / horas novem et decem / Vasinius Gamberius posuit.

MCCCCLXXXVII XI K(a)l(endas) April(es).

‘Aan de Hoogste en Algoede God.

Ook al haast je je, voorbijganger, dit kleine steentje

vraagt dat u het bekijkt en de enkele woorden leest.

Dit zijn de beenderen van Vasinis in dit kleine graf

geborgen, die éénzelfde dag ons gaf en ontnam.’

Voor Vasiniola die negentien uur leefde, heeft Vasinius Gamberius (dit) geplaatst.

22 maart 1487.’

Wie (in Leuven althans) via Google zoekt op ‘Vasinius Gamberius’, vindt enkel drie oude vermeldingen van dit grafschrift en ernaast de Brasserie Gambrinus op de Grote Markt. Deze laatste heeft, kan schrijver dezes na nauwkeurig onderzoek bevestigen, niets met Vasinius te maken.

Al deze treurigheid doet ook denken aan een ontroerend gedichtje van niemand minder dan Martialis, die, meestal toch, eerder geassocieerd wordt met bijtende spot. Maar deze keer is hij teder (Epigrammata, V, 34) bij de dood van de kleine Erotion:

Hanc tibi, Fronto pater, genetrix Flaccilla, puellam

Oscula commendo deliciasque meas,

Paruola ne nigras horrescat Erotion umbras

Oraque Tartarei prodigiosa canis.

Inpletura fuit sextae modo frigora brumae,

Vixisset totidem ni minus illa dies.

Inter tam ueteres ludat lasciua patronos

Et nomen blaeso garriat ore meum.

Mollia non rigidus caespes tegat ossa, nec illi,

Terra, grauis fueris: non fuit illa tibi.

‘Dit meisje, vader Fronto, moeder Flaccilla, beveel ik

U aan, mijn kusjes en mijn lieveling,

Zodat de kleine Erotion niet bang is van de zwarte schimmen

Of van de monsterlijke muil van de hellehond.

Ze zou bijna haar zesde winterkou beleefd hebben ,

Als ze niet evenveel dagen minder had geleefd.

Laat haar nu dartel spelen tussen zulke oude beschermers

En laat haar mijn naam babbelen met lispelende mond.

Laat geen harde plag haar zachte beenderen bedekken; aarde,

Wees niet zwaar voor haar: ze was het ook niet voor u.’

Hoe erg ook, kindersterfte is van alle tijden. Het is tijd om bij de opdracht van dit schrijven te komen. Schrijver dezes wijkt even voor de auteur.

Michieltje Verweij werd op 18 oktober 1867 geboren in Hatert bij Nijmegen. Op 27 oktober 1867 stierf hij, 9 dagen oud. Het verdriet van zijn ouders kunnen we ons enkel inbeelden. Het jaar daarop kreeg een nieuw zoontje eveneens de naam Michiel. Deze Michiel had meer geluk en overleed in 1955, na actief te zijn geweest als timmerman in Nijmegen, Muiden en Tilburg. Beide Michiels hadden een ouder broertje, Willem, geboren in 1865 en overleden in 1937 en eveneens timmerman. Willem is mijn overgrootvader en ik heet – via mijn grootvader Antoon Michael (1892-1963) – uiteindelijk naar de Michiel van 1867. Aan de laatste herinnert niets meer dan de inschrijving in de burgerlijke stand. Geen graf, geen grafsteen.

Deze nieuwsbrief zij als een monument voor hem. Michael, sit tibi terra leuis!

Met dank aan clublid dr. Michiel Verweij voor deze bijdrage.