De maffia in Italië boekt jaarlijks een omzet van ruim 132 miljard euro. Dat is dubbel zoveel als het Fiat-concern en evenveel als General Motors, aldus procureur-generaal Piero Luigi Vigna. De maffia is volgens de jongste “ondernemingscijfers de grootste Italiaanse onderneming geworden… Het meeste geld haalt de maffia tegenwoordig uit de drugshandel. Volgens Vigna brengt die jaarlijks zo’n 56 miljard euro op. Afpersing en beschermingsgelden zouden goed zijn voor minstens 14 miljard euro, de rest van de omzet wordt gehaald uit prostitutie en wapenhandel. De maffia is er ook niet vies van om “particuliere problemen op te lossen”. Persoonlijke zaken zoals moeilijkheden bij echtscheidingen, hoederecht van kinderen, een “lastige” vrouw of man, kunnen eveneens zonder veel moeilijkheden worden geregeld door de maffia. Als er maar wat geld aan verdiend wordt. Dagelijks rijft de Italiaanse maffia ongeveer 365 miljoen euro binnen. In sommige streken in Zuid-Italië hebben de maffioso zelfs voldoende macht om te bepalen welke merken al dan niet mogen verkocht worden, waarschuwt Vigna voor de aantasting van de democratische beginselen. “Wanneer de economie in criminele handen komt, is er geen sprake meer van democratie”, aldus de procureur. Opgelet: het gaat hier wel degelijk over de Italiaanse maffia alleen. Indien bijvoorbeeld ook de Russische, Albanese en Chinese maffiosi worden meegeteld, zou hun omzet die van bedrijven als Wal-Mart en ExxonMobil benaderen of zelfs overtreffen. Die realiseren wereldwijd omzetten van respectievelijk 259 en 225 miljard euro. De maffia houdt Italië al tientallen jaren in de greep. De bekendste groepering is ongetwijfeld de Siciliaanse Cosa Nostra, maar de voorbije weken is het vooral de Napolitaanse Camorra die niet uit het nieuws is weg te slaan. De Camorra is in enkele wijken van Napels in een bloedige strijd tussen clans verwikkeld, met vorig jaar alleen al tientallen doden tot gevolg. Voorlopig is er geen beterschap in zicht en leven meerdere wijken in een terreurtoestand.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 23 januari 2005 op het Romenieuws-archief.

