Opschriften voor beginners

Avonturen met opschriften – V

Een aantal weken geleden begonnen we met de nieuwe rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de vijfde bijdrage in deze reeks. De vorige bijdragen kan je hier nalezen.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel V.

Uit de vorige afleveringen is het wel duidelijk geworden dat het lezen van opschriften eigenlijk gewoon leuk is. In tegenstelling tot de literaire teksten die wij op zijn vroegst uit middeleeuwse handschriften kennen en die we meestal in moderne edities en/of vertalingen raadplegen en/of lezen, bieden opschriften ons een direct materieel contact met de periode waarin de tekst is ontstaan.

Opschriften (3)

Er is in principe geen verschil tussen een Romein uit de oudheid die de tekst las of ons. We staan op gelijke hoogte als we een grafschrift lezen of zien wie verantwoordelijk was voor een bepaald gebouw. En dat is een bijzondere gewaarwording.

Enige vereiste: je moet wat Latijn kennen. Enig nadeel: niet iedereen beschikt over die kennis. En die mensen missen toch een deel van het typische plezier. Om nog maar te zwijgen van het feit dat voor de niet-Latijnstaligen deze afleveringen wat mysterieus of moeilijk blijven. Vandaar dat deze bijdrage gaat proberen om daar iets aan te doen…

Vraag 1: wat is een opschrift?

Die is nog gemakkelijk. Een opschrift is een tekst die op duurzaam materiaal is aangebracht, meestal door inkerving, soms door beschildering. In het laatste geval is er meestal weinig van over, behalve in Pompeii en andere uitzonderlijke gevallen. Maar de Romeinen waren verwoede steenkervers en -kappers en er zijn tienduizenden, mogelijk honderdduizenden van die opschriften bewaard gebleven.

Het materiaal heeft echter een aantal beperkingen, onder meer in de ruimte. Eisen van leesbaarheid en problemen van kosten hebben ertoe geleid dat er zich een letterlijk lapidaire stijl ontwikkeld heeft met een relatief homogeen beeld in heel het Romeinse rijk. Zo worden de meeste opschriften gekenmerkt door het gebruik van bepaalde formules, hebben ze een min of meer vaststaande structuur en wemelen ze van de afkortingen.

Vraag 2: wat is daar het gevolg van?

Eigenlijk ook nogal gemakkelijk: ook een niet-Latijnstalige kan bij bepaalde typen opschriften een heel eind komen. Hij/zij kan dan wellicht niet de juiste vorm van de afkorting oplossen, maar weet wel wat er bedoeld is. Dit geldt met name voor de grafschriften, maar daar zijn er dan ook hele hopen van.

Zo beginnen (niet-christelijke) grafschriften vanaf de Flavische periode (69-96) vaak met de afkorting D M = Dis Manibus ‘voor de goden van de onderwereld’ of D M S = Dis Manibus sacrum ‘gewijd aan de goden van de onderwereld’, waarbij dan meer specifiek de beschermende machten van de zielen van de overledenen worden bedoeld.

Normaal volgt dan de naam van de overledene, gevolgd door de leeftijd en door de naam van degene die het monument heeft laten oprichten, soms met nog een precisering. Wanneer het een gemeenschappelijk graf betreft, volstaat het opschrift soms met de opsomming van de namen.

Opschriften (4)

Hierbij worden ook steeds bepaalde conventies gerespecteerd. Zo bestaat een naam uit een aantal vaste elementen. Eerst de naam van een vrijgeboren man, meer bepaald een Romeins burger: daar onderscheiden we de voornaam of praenomen, normaal in afkorting (A. = Aulus, C. = Gaius, M. = Marcus, L. = Lucius, Q. = Quintus, Cn. = Gnaeus), de familienaam of het nomen gentilicium (Antonius, Claudius, Iulius) en het cognomen of de bijnaam die het individu binnen die grote familie situeert.

Tussen familienaam en cognomen staan vaak twee elementen: de aanduiding van de vader en de zgn. tribus of het kiesdistrict waartoe de burger behoort (bijv. OUF = Oufentina). Dat laatste is altijd in afkorting en is voor het begrip van minder belang. De vadersnaam wordt normaal aangegeven door de voornaam van de vader in afkorting, gevolgd door F. = filius ‘zoon’.

Vrijgeboren vrouwen moeten het met twee dingen minder doen: zij hebben geen praenomen en geen kiesdistrict. De naam van de vader wordt niet altijd aangegeven; F. is voor vrouwen uiteraard filia ‘dochter’.

Een groot deel van de populatie was echter niet vrijgeboren. Vrijgelatenen vermelden normaal niet hun vader, maar hun voormalige meester. Aangezien ze normaal praenomen en familienaam van die meester overnemen worden deze dan gevolgd door de afkorting van de voornaam van hun gewezen meester en L = libertus (vrouwelijk: liberta) ‘vrijgelatene’. Daarna volgt als cognomen hun voormalige slavennaam.

Vrouwen hebben hier opnieuw geen praenomen. Slaven ten slotte of niet-burgers (buitenlanders en zo) hebben normaal alleen een enkele naam, al kan die voor buitenlanders weer vergezeld gaan van de naam van de vader.

Omdat hetzelfde geldt voor degene die het opschrift heeft opgericht, is hiermee meer dan de helft van de meeste opschriften al te lezen. Normaal staat de naam van de overledene in een grafschrift eerst en wordt deze gevolgd door de naam van degene die het grafmonument heeft opgericht. Maar dat is niet altijd zo. Tijd om het te hebben over die huiveringwekkende dingen, de naamvallen…

Het Latijn wordt in hoge mate gekenmerkt door het feit dat de vorm van een woord heel veel grammaticale informatie bevat. Anders gezegd: de functie van een zelfstandig naamwoord of substantief in de zin wordt aangeduid door de vorm van het woord.

De nominatief geeft het onderwerp aan, de accusatief het lijdend voorwerp, de datief het meewerkend voorwerp, de genitief verbindt twee substantieven (bijvoeglijke bepaling) en de ablatief is de naamval van de bijwoordelijke bepaling (plaats, middel, verwijdering, reden, …). Althans dat zijn de grote lijnen. Er zijn altijd afwijkingen, uitbreidingen en wat weet ik allemaal meer.

Omdat een grafschrift normaal de structuur heeft ‘Voor X heeft Y (dit) opgericht’, volgt daaruit dat de naam van de overledene meestal in de datief staat en die van de oprichter in de nominatief. Een enkele maal is het opschrift puristisch en heeft men de naam van de overledene geconstrueerd bij / afhankelijk gemaakt van Dis Manibus: in dat geval staat dat in de genitief (want de verbinding tussen twee substantieven).

Om het niet te moeilijk te maken: de meeste namen van mannen eindigen in de nominatief op -us en hebben een datief op -o, terwijl de meeste vrouwennamen in de nominatief op -a uitgaan en in de datief op -ae. Dus: Claudius, datief Claudio, naast Claudia, datief Claudiae.

Opschriften (5)

Er bestaat een groep substantieven en namen die een stam om een medeklinker hebben en waarvan de nominatief meestal op -s uitgaat, maar de kans is groot dat er altijd wel één naamdeel tot de net besprokene behoort en dat volstaat om de functie te zien en dus te weten wie het monument heeft opgericht en voor wie. Het lijdend voorwerp blijft meestal onuitgedrukt of liever: is eigenlijk de steen zelf. Dat moeten we er dus eigenlijk bij denken.

Even in een schema, niet poëtisch, wel handig:

Nominatief Claudi-us Claudi-a
Genitief Claudi-i Claudi-ae
Datief Claudi-o Claudi-ae
Accusatief Claudi-um Claudi-am
Ablatief Claudi-o Claudi-a

Het werkwoord op grafschriften blijft vaak eveneens achterwege, maar als het erbij staat, staat het meestal in de derde persoon enkelvoud of meervoud van de aantonende wijs (indicatief) van de voltooide tijd (perfectum). Enkelvoud gaat uit op –t, meervoud op –nt. Voorbeelden: fecit ‘heeft gemaakt’ (van facere), fecerunt ‘hebben gemaakt’.

Dezelfde vorm vinden we in veel grafschriften in uixit ‘heeft geleefd’ (vaak in afkorting VIX). Dat kan voorafgegaan worden door het betrekkelijke voornaamwoord ‘die’: qui (mannelijk) of quae (vrouwelijk), maar dat is zeker niet altijd het geval. Bij soldaten wordt vaak de diensttijd aangegeven, met het werkwoord militauit (afkorting: MIL of MILIT) ‘heeft dienst gedaan’.

De tijd wordt dan uitgedrukt met ANN (annis of annos), M of MENS (mensibus of menses) en D (diebus of dies), voor resp. jaren, maanden en dagen. Hier komt zowel de accusatief (op –os en –es) als de ablatief (op –is en –ibus) voor.

In een aantal gevallen zijn er nog toevoegingen te vinden. Dat kunnen ambtelijke waardigheden of andere prestaties zijn, maar vaak ook iets als coniugi of uxori ‘voor (zijn) vrouw’ of marito ‘voor haar man’, patri ‘voor zijn/haar/hun vader’ (nominatief: pater), matri ‘voor zijn/haar/hun moeder’ (nominatief: mater), parentibus ‘voor zijn/haar/hun ouders’ (nominatief: parentes), benemerenti (in afkorting BM of BENEM etc.) ‘voor wie dit echt heeft verdiend’, piissimo of piissimae ‘voor de zeer vrome / respectueuze’, carissimo of carissimae ‘voor de zeer geliefde’, optimo/optimae ‘voor de beste’, sanctissimo/sanctissimae ‘voor de meest zuivere, eerbiedwaardige’ e.d.

Soms liet de overledene het graf zelf maken. Bij zijn leven uiteraard. Dat blijkt dan uit VIVVS uiuus ‘levend, bij zijn leven’ of een formule als uiuus sibi fecit ‘maakte dit bij zijn leven voor zichzelf’. Vaak was deze persoon in een genereuze bui en bestemde hij het graf voor een heleboel andere personen: et suis libertisque et libertabus posterisque eorum ‘en voor de zijnen en zijn mannelijke en vrouwelijke vrijgelatenen en hun nakomelingen’. Het Latijn kent verschillende woorden voor ‘en’: et, atque en –que dat achter het woord staat.

Keizers gebruiken graag veel titulatuur. Die stelt ons vaak in staat het opschrift (en dus het monument in kwestie) te dateren, maar hoeft de beginnende lezer niet te vermoeien. Langere opschriften met de teksten van decreten en zo zijn ook niet voor beginners geschikt.

Maar met deze noties kan ook een niet-Latijnstalige tenminste begrijpen waar het opschrift (in ieder geval het grafopschrift) in grote lijnen over gaat. Probeer bij een grafschrift altijd de grondvormen van de datief en de nominatief terug te vinden en de verschillende formules die hier werden behandeld, en u bent al een heel eind.

Een voorbeeld. Als u toch in de rij staat voor het Pantheon, kunt u het grote opschrift op de architraaf eens onder handen nemen:

M AGRIPPA L F COS TERTIVM FECIT

De werkwoordsvorm fecit hebben we net gezien. We zien verder geen datief, maar wel Agrippa, een nominatief. Taal is nooit 100% logisch. Hoewel de uitgang op -a meestal vrouwelijke personen aanduidt, zijn er woorden die daar aan ontsnappen.

Agrippa is de beroemde rechterhand en schoonzoon van keizer Augustus en een man. Dat bleek ook al uit het praenomen M = Marcus. L F is dan Luci filius ‘zoon van Lucius’, waarbij de voornaam van de vader in de genitief staat, want er worden twee substantieven met elkaar verbonden.

Opschriften (1)

Het enige dat we in bovenstaande niet hebben gezien is dus cos tertium, waarbij cos de afkorting is voor consul en tertium ‘voor de derde maal’ betekent. Daarmee wordt de bouw van het (oorspronkelijke) Pantheon dus gedateerd tijdens het derde consulaat van Marcus Agrippa. Gelukkig voor de beginnende lezer staan getallen meestal in cijfers genoteerd. Romeinse cijfers wel te verstaan. Dit is eerder een uitzondering.

Het opschrift zonder afkortingen luidt dus:

M(arcus) Agrippa L(uci) f(ilius) co(n)s(ul) tertium fecit ‘Marcus Agrippa, zoon van Lucius, voor de derde maal consul heeft (dit) gemaakt’.

Alleen jammer dat het niet klopt, want – zoals u wellicht weet – is het Pantheon in zijn huidige vorm door keizer Hadrianus gebouwd, nadat het oorspronkelijke Pantheon van Agrippa was afgebrand. Onder deze regel staat overigens nog een lang opschrift van Septimius Severus, waar we bij een andere gelegenheid nog op terug komen.

Overigens is dit opschrift op het Pantheon ook om een andere reden weer een intrigerend voorbeeld van de lapidaire stijl: wát Agrippa nu eigenlijk gebouwd heeft, wordt er niet bij gezegd. Het lijdend voorwerp was eigenlijk het hele gebouw zelf. De archeologen twisten dan ook nog steeds over de vraag aan wie het Pantheon nu eigenlijk gewijd was…

Naast COS voor consul, vindt men in bouwopschriften ook nog vormen als IMP voor imperator, PONT MAX voor pontifex maximus, TRIB POT voor tribunicia potestate ‘bekleed met de macht van volkstribuun’, P P pater patriae ‘vader des vaderlands’.

Een grafschrift dan. Van een van de grootste Romeinse grafmonumenten, de grote marmeren tombe langs de Via Appia:

CAECILIAE
Q CRETICI F
METELLAE CRASSI

De uitgang -ae geeft de datief aan en er is geen praenomen: het gaat dus om een dame uit de familie van de Caecilii die dan ook Caecilia heette. Zij was f(ilia) van Q(uintus) Creticus (in de genitief). Metellae is opnieuw een datief en vormt de tweede naam van Caecilia. Crassi is een genitief, maar er is in dit geval geen ander substantief waar dit bij staat. Hier is bij te denken coniugi ‘vrouw ‘, ‘van Crassus’ dan. Dat geeft dan als eindresultaat:

Caeciliae Q(uinti) Cretici f(iliae) Metellae Crassi ‘Voor Caecilia Metella, dochter van Quintus Creticus, (vrouw) van Crassus’.

Opschriften (2)

Vraag 3: waar kan ik opschriften lezen?

Ook een gemakkelijke vraag. Eigenlijk overal in Rome. Mooie concentraties zijn te vinden langs de Via Appia Antica of in de tuin tussen de Thermen van Diocletianus – zetel van een deel van het Museo Nazionale Romano – en de Piazza dei Cinquecento. Maar in historische kerken in Rome vindt u vaak in de portiek ook enkele opschriften. Christelijke opschriften hebben uiteraard christelijke elementen zoals in pace ‘in vrede’ of symbolen, maar ook hier zijn dezelfde elementen terug te vinden.

Bij de bij deze bijdrage gevoegde foto’s kunt u alvast eens proberen… Succes!

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 24 september 2019. Bekijk het origineel.