25 januari 2024 —
Vertaalfeuilleton – Episode 9 – ‘Aquaducten’
In de reeks over Poggio’s De varietate fortunae was de vorige episode gewijd aan triomfbogen. Vandaag: aquaducten. ‘Onze’ humanist heeft niet weinig bijgedragen tot de kennis daarover – niet zozeer in De varietate, wel door zijn gesnuister in een Italiaanse abdij.
Vertaling
Onlangs heb ik zelf, in het klooster van Montecassino, het boek van Julius Frontinus over aquaducten teruggevonden en van de vergetelheid gered. Volgens hem waren er negen: Appia, Anio Vetus, Marcia, Tepula, Iulia, Virgo, Alsietina, Claudia, Anio Novus. Het waren echt somptueuze en wonderlijke bouwwerken. Diezelfde Julius – naar eigen zeggen werd hij door de goddelijke Nerva als beheerder van de aquaducten aangesteld – meent dan ook dat ze op één lijn gesteld moeten worden met de piramiden van Egypte. Anio Novus: vanaf de 62ste mijlpaal … Claudia: van voorbij de 44ste mijlpaal … Marcia: vanaf de 36ste mijlpaal … Er werden bogen voor aangelegd; bergen die obstakels vormden, werden deels uitgehouwen, deels afgegraven. Zo werden ze naar de stad geleid. Van deze vloeit vandaag alleen nog het Virgo-aquaduct naar de stad, van bij de achtste mijlpaal. De overige zijn onderbroken en ingestort, sommige met de grond gelijkgemaakt. Niet alleen de vorm is verloren gegaan; ze zijn zelfs niet meer te herkennen. Het schitterendste aquaduct van allemaal – waarvan nog resten te zien zijn – werd door de goddelijke Claudius naar Rome geleid, meer bepaald naar de Celio-heuvel: vandaar ook de naam Celimontana. Toen het van ouderdom vervallen en op veel plaatsen stuk was, werd het door L. Septimius Severus en door M. Aurelius Antoninus Pius grondig gerestaureerd, zo vertelt het opschrift op een marmeren plaat.
Duiding
In 1429 diepte Poggio in Montecassino het manuscript op van Frontinus’ De aquis urbis Romae. Boriaud citeert een brief van Poggio: ‘Ik heb dit boek met mij meegenomen om het over te schrijven: een werkje van Frontinus, hoewel het vol fouten is en met zeer slechte letters, zozeer dat ik het nauwelijks kan lezen.’
Over de opdracht die hij kreeg, schrijft Frontinus niet zonder zelflof en mouwvegerij. In de vertaling van Vincent Hunink: ‘[1] Elke officiële opdracht van de keizer vraagt om speciale aandacht en inzet, maar voor mij is dat niet voldoende. Mijn aangeboren nauwgezetheid dan wel verantwoordelijkheidsbesef inspireren mij niet alleen tot goede zorgen maar ook tot liefde voor de mij toevertrouwde taak. Keizer Nerva, wiens goede zorgen en liefde voor de staat mij gelijk op lijken te gaan, heeft mij thans het toezicht op de watervoorziening in handen gegeven.’
In paragraaf vier: ‘Vanaf de stichting van Rome hebben de Romeinen vierhonderd eenenveertig jaar genoegen genomen met water uit de Tiber, uit putten of bronnen. […] Thans evenwel lopen de volgende aquaducten tot in Rome’. Daarop volgt de opsomming die we terugvinden bij Poggio. Terecht vraagt u zich af: negen aquaducten? Waren er geen elf? De Aqua Traiana en Alexandrina waren er echter nog niet toen Frontinus zijn werk schreef, en Poggio heeft het lijstje niet aangevuld.
De vergelijking met de piramiden klinkt bij Frontinus zo: ‘[16] Wat een massa waterstromen! En wat een veelheid aan onontbeerlijke constructies daarvoor! Zet daar die overbodige piramiden maar eens naast, of die andere nutteloze doch vermaarde werken van de Grieken!’ Hij beledigt hier vrolijk Egyptenaren én Grieken. En het ligt niet aan vertaler Hunink: het Latijn is even genadeloos. Frontinus vindt de aquaducten dus indrukwekkender dan de piramiden. Poggio zwakt die woorden (bewust?) een beetje af.

Size matters?
Anio Novus: vanaf de 62ste mijlpaal … Boriaud geeft als Poggio’s Latijn: ‘Anio novus a milliario LXII’. Hij vertaalt: ‘À partir du soixante deuxième mille’. Ook Merisalo heeft het over ‘.lxii’.
Opvallend is het verschil met Frontinus. In vertaling: ‘[15] De Anio Novus ontspringt aan de Via Sublacensis bij de 42ste mijlsteen’. Het door Poggio ontdekte handschrift geeft dan ook ‘ad miliarium quadragesimum secundum’, in zelfs niet onleesbare letters. 42 dus, en niet 62? Bij de Claudia schrijft Poggio: ‘van voorbij de 44ste mijlpaal’, terwijl Frontinus het heeft over de 38ste.
Merisalo denkt in de juiste richting, maar een echte verklaring werd gesuggereerd – ook aan mijn snuggere leerlingen Fien V., Eva V. en Nina C. – door een inscriptie op de Porta Maggiore, CIL VI 1256: ‘Claudiam […] a milliario XXXXV / item Anienem novam a milliario LXII […]’.
In zijn eigen opschriftenverzameling geeft Poggio de inscriptie met dezelfde cijfers: 62 en 45. In De varietate schrijft hij – ter variatie? – ‘van voorbij de 44ste’. Waarom hij de inscriptie gebruikt en niet gewoon Frontinus citeert, is niet zeker. Voor Marcia en Virgo vinden we immers ook bij Poggio de 36 en 8 van Frontinus.
Zo komen we bij een groter probleem. De 62 en 45 van de inscriptie worden doorgaans beschouwd als de lengte van de aquaducten – niettegenstaande de formulering ‘a milliario’, die op het eerste gezicht wijst op de afstand – in (min of meer) rechte lijn – tot de bron. Frontinus geeft eveneens lengtes van de aquaducten die in de buurt liggen van, maar niet geheel overeenkomen met de 62 en 45. Vandaar ook artikels met enigmatische titels als ‘The Mystery of 62 Miles’, die ons hier te ver zouden leiden.
Dat Poggio zowel voor Anio Novus als voor Marcia en Virgo de uitdrukking ‘a milliario’ gebruikt, terwijl het bij de laatste twee zeker over de afstand tot de bron gaat, lijkt erop te wijzen dat hij hier minder lang bij stil heeft gestaan, en afstand en lengte op één hoop gooit. Misschien is empirisch onderzoek hier toch aangewezen, en moeten we letterlijk met een stappenteller ‘ad fontes’ gaan: een tocht langs de rivier Aniene, richting Subiaco.

What’s in a name
‘Van deze [aquaducten] vloeit vandaag alleen nog het Virgo-aquaduct naar de stad’: geen reisgids kan onvermeld laten dat de Aqua Virgo – of Acqua Vergine – ook in deze eeuw nog in werking is en het water voor de huidige Trevifontein levert.
Wat de Aqua Claudia betreft: de drie commentatoren verwijzen naar inscriptie CIL VI 1259. Enkel Merisalo bekijkt de passage wat kritischer: ‘Vanaf de Porta Maggiore splitsten de Arcus Caelimontani (ook Arcus Neroniani) zich af van de Aqua Claudia’. Frontinus schrijft immers in [20] ‘Maar tevoren gaat […] een deel van de Claudia over op de zogenaamde Neroniaanse bogen. Die lopen dwars over de Caelius en eindigen naast de tempel van de vergoddelijkte Claudius.’ Nero zette het werk van Claudius verder.
Interessant is in dit verband een passage van Frontinus over ‘Naamsverwisseling’. Nadat hij zich heeft opgewonden over het illegaal aftappen van water, zegt hij immers: ‘Leverantie van water onder een verkeerde naam, dus in plaats van ander water, is een misstand die op zichzelf minder erg is dan andere. Niettemin moet dit gelden als iets waar corrigerend optreden vereist leek. De betreffende praktijk doet zich voor rond de Caelius en de Aventijn. Voordat de Claudia tot bij deze heuvels kwam, werden die bediend door de Marcia en de Julia. Maar nadat keizer Nero de Claudia vanaf de Spes Vetus over boogconstructies had doorgetrokken tot de tempel van de vergoddelijkte Claudius, zodat van daaruit de leverantie zou kunnen plaatsvinden, zijn de beide andere aquaducten niet uitgebouwd maar buiten bedrijf gesteld. Nero bouwde namelijk geen nieuwe verdeelbekkens maar gebruikte de bestaande. En die behielden hun oude namen, ook al ging het nu om ander water.’
Volgens de commentaar bij de vertaling is ‘deze passage niet geheel helder. Onduidelijk is bijvoorbeeld of Frontinus de door hem gehekelde misstand heeft verholpen door maatregelen te nemen.’ Los daarvan: waarom zou het zo’n probleem zijn, mocht water van het ene aquaduct geleverd worden onder de naam van een ander? Een antwoord op die vraag ligt verspreid in Frontinus’ werk: er waren grote kwaliteitsverschillen.
Spitant is bijvoorbeeld: ‘[11] Welke motieven hebben Augustus, een bijzonder zorgzaam keizer, bewogen tot de aanleg van de Aqua Alsietina, ook Augusta genoemd? Dat zie ik niet goed, want het aquaduct heeft niets goeds te bieden. Het water is zelfs ronduit ongezond en voor mensen is het dus nergens voor geschikt.’ Een snedige sneer aan het adres van de pater patriae! ‘Of het moet zijn dat Augustus bij de bouw van zijn Naumachie niets heeft willen onttrekken aan de leidingen met gezond water en daarom een apart aquaduct heeft aangelegd.’ Oef. Opgelucht kunnen we deze waterige episode netjes neerleggen.
Volgende keer: theaters en amfitheaters! Zoals iedere eerstejaars Latijn kan vertellen: ook daar is het ene het andere niet. Dat zal Poggio ongetwijfeld beamen.

Met dank aan clublid Bruno Vantomme voor deze bijdrage.
NB Het artikel werd ingekort voor de nieuwsbrief.

